Eisen eerste ster

welpenboekjeOp deze pagina vind je de eisen voor de eerste ster. Per onderwerp staat precies aangegeven wat je moet weten, kunnen of doen. Bij sommige onderwerpen staat ook nog wat extra informatie. Bijvoorbeeld omdat het misschien wel leuk of interessant is. Maar die extra informatie hoef je niet te kennen. Daarom vind je die altijd in een apart geel vak met rode tekst.

Als je denkt dat je één van de eisen kunt of als je alles voor een eis hebt gedaan, dan kun je die door de leiding in je welpenboekje laten aftekenen. Dat kan bijvoorbeeld als we tijdens de opkomst aan het welpenboekje werken. Maar je kunt ook de leiding vragen of je na de opkomst even mag laten zien wat je kunt.

Je kunt je welpenboekje nooit laten aftekenen als je net uitleg hebt gehad. Dan moet je wachten tot de volgende opkomst, zodat je laat zien dat je een week na de uitleg ook nog weet hoe het moet. In die week kun je thuis natuurlijk wel oefenen!

• Ga naar de eisen voor de tweede ster
• Ga terug naar de algemene informatie over de stereisen
• Ga terug naar de welpenpagina

Informatie voor leiding
De tekst op deze pagina is gebaseerd op het oude welpenboekje, maar in 2006/2007 helemaal gemoderniseerd en soms aangevuld. In de kaders is extra informatie toegevoegd. We hebben gemerkt dat er scoutinggroepen zijn die de tekst overnemen. Daar hebben wij geen bezwaar tegen, als je dat even aan ons meldt en je op de pagina onze website linkt en duidelijk als bron vermeldt.
Webteam / 2015

Alle eisen op een rij
Om het je gemakkelijker te maken één van de stereisen te vinden staan ze hieronder nog eens op een rij. Je kunt aan het nummer zien welke stereis je zoekt. Als je op de naam klikt, springt het scherm er direct naartoe.

1 Het eerste couplet van het Wilhelmus kennen

• Het Wilhelmus
Elk land heeft wel een volkslied dat iedereen zou moeten kennen. Bij belangrijke gebeurtenissen wordt het gespeeld en gezongen.

Willem van OranjeHet Nederlandse volkslied is het 'Wilhelmus'. Het Wilhelmus is al heel oud. Het bestaat al meer dan vierhonderd jaar (ongeveer sinds 1570) en is zelfs het oudste volkslied ter wereld. Het werd gemaakt voor Prins Willem van Oranje. Deze prins heeft veel voor ons land gedaan. Het Wilhelmus bestaat uit 15 coupletten. Van deze 15 coupletten worden normaal alleen het eerste en het zesde couplet gespeeld of gezongen. Om je eerste ster te kunnen halen, moet je de melodie kennen en het eerste couplet kunnen zingen.

Als je probeert de woorden van het lied te lezen, zie je dat de mensen lang geleden heel anders spraken en schreven dan wij nu doen. Dat maakt het wel wat moeilijk. Maar als je goed leest begrijp je dat het de prins is die spreekt: "Ik, Willem van Nassau, ik ben een Nederlander en blijf het vaderland trouw tot in de dood. Ik ben een erg dapper vorst van Oranje en de koning van Spanje heb ik altijd geëerd."

Wanneer het Wilhelmus gespeeld wordt tijdens bijeenkomsten, bijvoorbeeld met de herdenking op 4 mei, ga je netjes rechtop staan en breng je de welpengroet. Je welpenpet hou je op.

• Het eerste en het zesde couplet

Wilhelmus van Nassaue
Ben ik van Duitsen bloed;
Den vaderland getrouwe
Blijf ik tot in den doet.
Een Prince van Oranje
Ben ik vrij onverveerd,
Den koning van Hispanje
Heb ik altijd geëerd.

Mijn schild ende betrouwen
Zijt Gij, o God, mijn Heer!
Op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmer meer!
Dat ik toch vroom mag blijven,
Uw dienaar t'aller stond,
De tirannie verdrijven,
Die mij mijn hart doorwondt.

• Duitsen
= Nederlands
• doet
= dood
• vrij onverveerd
= heel dapper
• vroom
= gelovig
• t'aller stond
= steeds
• doorwondt
= door en door verwondt

2 De acht streken van het kompas kennen
KompasHet kompas heeft een soort wijzerplaat, net als een horloge. Maar een kompas heeft maar één wijzer, de kompasnaald, die altijd naar het magnetische noorden wijst. Dat is een plek in de buurt van de Noordpool. Een kompas is handig om te weten in welke richting je loopt. De noordpunt van de naald is meestal rood of met lichtgevende verf gemerkt.

Als je naar dezelfde kant kijkt waar de naald heen wijst, kijk je naar het Noorden. Als je je dan omdraait kijk je naar het Zuiden. Dat zijn de twee belangrijkste windstreken. Daarna komen het Oosten en het Westen. Daartussen liggen het noordoosten, het zuidoosten, het zuidwesten en het noordwesten. Op een kompas staan vaak alleen de afkortingen: N, NO, O, ZO, Z, ZW, W en NW. Als je dat hele rijtje hebt gehad, ben je weer bij het noorden.

Een ezelsbruggetje: In het oosten komt de zon op, in het westen zakt de zon weer weg!

Kompasroos

Graden
Op een horloge staan allemaal kleine streepjes. Die geven de minuten aan. Als je helemaal rond bent heb je er 60 geteld. Op een goed kompas staan ook kleine streepjes, maar daar noemen we het graden. Omdat een kompas 360 graden heeft, telt elk streepje voor 2 graden. Anders zouden de streepjes wel heel dicht naast elkaar moeten staan! De graden op een kompas geven bijvoorbeeld aan in welke richting je moet lopen. Daarom zijn het er ook zoveel. Want alleen zo kun je heel precies aangeven in welke richting je moet lopen.
Als je bij de scouts bent, leer je hoe je met een kompas de goede richting moet bepalen. Dat noemen we kompasschieten.

Magnetische naald
Een kompasnaald is magnetisch. Daardoor reageert de naald op het magnetische veld van de aarde. In de buurt van de Noordpool ligt ook de pool van dat magnetische veld om de aarde. De kompasnaald wordt daardoor aangetrokken, zodat je steeds kunt zien waar het (magnetische) noorden is. Omdat de naald reageert op een magnetisch veld is het belangrijk dat je een kompas nooit in een auto gebruikt. Of in de buurt van veel metaal (een hek, elektriciteitsdraden). Want daar wordt het magnetische veld verstoord door al dat metaal.

Maak je eigen kompas
Je kunt zelf een kompas maken door een kleine naald steeds in één richting langs een magneet te halen. Dus niet heen en weer! Daardoor wordt die naald een beetje magnetisch. Maak dan de naald een beetje vettig, misschien is het voldoende om hem langs je vingers te wrijven, anders is een klein beetje olie of boter ook prima. Vul een schaaltje of schoteltje met water. Leg de naald heel voorzichtig op het water. Dat de naald blijft drijven komt door de oppervlaktespanning van het water. Als de naald drijft, richt hij zich naar het noorden. Als de naald niet blijft drijven kun je hem ook op een klein stukje papier leggen, bijvoorbeeld van een koffiefilter.

3 Vier van de volgende vijf oefeningen doen

a Kopje duikelen
Om kopje duikelen te leren ga je met de benen uit elkaar staan. Dan buig je je ver voorover met beide handen zo dicht mogelijk bij je voeten op de grond. Steek nu je hoofd tussen je benen door en laat je voorover rollen. Na het rollen probeer je weer meteen op je voeten te komen zonder gebruik te maken van je handen. Het is een kunstje om als je rolt naar je enkels te grijpen. Voor je het weet, sta je weer op je voeten en moet je alleen nog goed rechtop gaan staan.

b Haasje over springen
Bij haasje over springen is het belangrijk om je goed af te zetten. Hijs jezelf niet log en zwaar op over de rug van degene die bok staat, maar spring zover over hem of haar heen, dat je vingertoppen de rug maar even aanraken. Zet met twee voeten tegelijk af en veer door bij het neerkomen.

c Touwtje springen
Spring met beide voeten tegelijk, met een tussensprongetje, 15 maal achter elkaar, terwijl je zelf het touw draait. Goed touwtje springen wil zeggen dat je zachtjes op je tenen neerkomt en doorveert. Na iedere sprong volgt een tussenhupje, waarbij je bijna niet op de grond komt. Het touw gaat op dat ogenblik over je hoofd heen. Zorg voordat je begint, dat je een goed, niet te dun, springtouw hebt. Een lengte van 2½ meter is voldoende. Oefen niet te lang achter elkaar, maar regelmatig.

Een acht hinkelen
d Een acht hinkelen
De eerste lus hinkel je op je rechtervoet, waarbij je dus rechtsom gaat, terwijl je je linkervoet met de rechterhand vasthoudt. In het midden wissel je en maak je de tweede lus op je linkervoet, dus linksom, en houd je je rechtervoet vast met je linkerhand.

e Met boeken lopen
Loop met drie losse boeken of plankjes op je hoofd vijf meter rechtop, draai je om, hurk en loop weer vijf meter terug.

Met boeken lopen

4 Platte knoop en schootsteek leggen en toepassen

a De platte knoop
De platte knoopTwee touwen die (ongeveer) even dik zijn worden aan elkaar geknoopt met de platte knoop. De platte knoop glijdt niet en kan gemakkelijk weer los worden gemaakt.

Zo kun je goed onthouden hoe je de platte knoop maakt: links over rechts - rechts over links.

Knopen lerenMaar let op! Als je twee keer hetzelfde doet - dus links over rechts en dan weer links over rechts (of twee keer andersom) - dan krijg je niet de platte knoop, maar een "oud wijf" (of zoals we dat in Twente zeggen: een "oald wief").

• Vlag in de mast
Als je een vlag in de mast wilt hangen heb je twee knopen nodig: de platte knoop en de schootsteek. Onderaan de vlag zit een touwtje, dat maak je met de platte knoop vast aan het vlaggentouw. Bovenaan de vlag zit een lusje, daaraan maak je het vlaggentouw vast met een schootsteek. De kant met het lusje is dus de bovenkant van de vlag. Dat is wel handig om te onthouden!

De schootsteekb De schootsteek
De schootsteek wordt gebruikt om een dik touw en een dun touw met elkaar te verbinden of om een touw aan een lus vast te maken. Zijn de touwen niet even dik? Maak dan de lus met het dikste touw.

5 Balgooien en lenigheidsoefeningen

a Balgooien en -vangen

  • Gooi met de linker- of met de rechterhand een tennisbal, zodat iemand op acht meter afstand hem vier van de zes keer kan vangen.
  • Vang met beide handen en met één hand een tennisbal die van acht meter afstand wordt toegeworpen vier van de zes keer.
De lenigheidsoefeningen

b Lenigheidsoefeningen

  • De lenigheidsoefening
    Ga in spreidstand staan met de armen hoog en je handen vast. Nu spring je zachtjes in hurkzit, voeten en knieën gesloten en je handen aan de grond. In deze houding veer je viermaal door. Dan spring je weer op tot spreidstand zoals je begonnen bent en veer je de armen viermaal naar achteren.De hele oefening doe je vijf keer en bij voorkeur op kousen of blote voeten.
  • De houthakkersoefening
    Ga weer in spreidstand staan met de armen omhoog, zoals bij de eerste oefening. Zwaai met de romp voorover, terwijl je je armen zover mogelijk tussen de benen door naar achteren brengt (knieën buigen). Daarna weer omhoog zwaaien en je goed uitstrekken. Maak vooral geen holle rug.Doe deze oefening tien keer in een rustig tempo. Je moet uitademen bij het omlaag zwaaien en inademen bij het omhoog komen.

6 Een voorwerp maken van waardeloos materiaal
Veel materiaal dat weggegooid wordt noemen we waardeloos materiaal. Bijvoorbeeld dozen van zeeppoeder, wc-rolletjes, melkpakken, lappen, wol en doppen. Maar eigenlijk is het niet waardeloos, want je kunt er een heleboel leuke dingen mee maken. Probeer het maar eens.

7 Klokkijken
Je weet natuurlijk al dat 1 minuut 60 seconden telt, 1 uur 60 minuten en 1 dag 24 uur duurt.
Op de wijzerplaat van een klok zie je dat er 2 wijzers zijn: een grote en een kleine. Ook zie je 12 cijfers en 60 kleine streepjes.
De kleine wijzer beweegt zich heel langzaam over de wijzerplaat. Wanneer hij een cijfer aanwijst of er dicht in de buurt is, stelt dat cijfer het uur van de dag of de nacht voor. De grote wijzer gaat ook langzaam, maar beweegt zich al veel sneller dan de kleine. Dat moet ook wel, want de grote wijzer wijst de minuten aan en moet dus al die 60 kleine lijntjes voorbij - van 12 tot 12 - in dezelfde tijd waarin de kleine wijzer maar 1 cijfer opschiet. Soms zie je ook nog een derde wijzer snel rondjes draaien, dat is de secondenwijzer.

KlokAls je naar de tekening kijkt, zie je dat de kleine wijzer naar de 12 wijst en de grote bijna bij de 9 is. Op deze klok is het dan bijna kwart voor 12.

Er zijn ook klokken zonder wijzerplaat. Daarop geven cijfers de tijd aan. De cijfers voor de dubbele punt geven de uren aan en de cijfers erachter de minuten. Als er bijvoorbeeld staat 12:15 dan is het kwart over 12.

Soms zie je na de minuten nog een dubbele punt. Daarachter staan dan de seconden. Bijvoorbeeld 10:45:17 wil zeggen dat het kwart voor 11 en 17 seconden is. De 2 laatste cijfers tellen dan heel snel op.

Bijzonder aan deze klokken is dat deze de uren meestal de hele dag doortellen. Dus na 12 uur komt 13 uur (in plaats van 1 uur). Dit kun je gemakkelijk uitrekenen. Als het getal groter is dan 12, bijvoorbeeld 18, dan trek je er 12 vanaf. Dus 18 min 12 is 6 uur. Afspraak is dat deze klokken om middernacht opnieuw beginnen. Dus 00:00 uur is 12 uur 's nachts en 12:00 uur is 12 uur 's middags.

Digitaal en analoog
Een moderne klok zonder wijzerplaat, waarop alleen cijfers de tijd aangeven, noemen we een digitale klok. Een klok met wijzers noemen we een analoge klok.

Zomertijd en wintertijd
In Nederland en in heel veel andere landen kennen we het verschil tussen zomertijd en wintertijd. De wintertijd is eigenlijk de 'echte' tijd. Door de klok in de zomer een uur vooruit te zetten, blijft het 's avonds een uur langer licht. De zomertijd is vooral ingesteld om energie te besparen. Want als het licht is, heb je natuurlijk geen lampen nodig. De zomertijd gaat in op de laatste zondag van maart en eindigt op de laatste zondag van oktober.

Een ezelsbruggetje
In het voorjaar gaat de tijd een uur vooruit.
Dus op de laatste zondag van maart wordt de tijd om 2 uur 's nachts naar 3 uur verzet. Je kunt dan een uur minder slapen! Maar gelukkig kun je dan in oktober een uurtje langer blijven liggen...

8 Lichamelijke verzorging

a Lichamelijke verzorging

• Ademhalen
Haal adem door je neus. Je neus kun je vergelijken met een filter. Hij zuivert de buitenlucht van allerlei stofdeeltjes en de koude buitenlucht wordt bij het inademen warmer en vochtiger gemaakt. Daarom is door je neus ingeademde lucht beter voor je longen dan wanneer je door je mond ademt. Ademen door de mond heeft ook nog het nadeel dat je eerder een droge keel en dorst krijgt. Om gezond te blijven is het belangrijk dat je veel frisse lucht inademt.

• Handen en nagels
Je moet er voor zorgen dat je steeds weer schone handen en nagels hebt. Dus was je handen voor het eten, na het buitenspelen, als je in de tuin hebt gewerkt en nadat je naar de wc bent geweest.
Je vingernagels moet je één keer per week knippen. Als je ze zo knipt dat ze naar de vorm van de vinger afgerond worden, voorkom je dat ze bij de hoeken uitscheuren. Nagelbijten is slecht voor je gezondheid en staat vies. De nagels van je tenen hoor je recht te knippen.

• Tanden
Het eten dat je elke dag eet, moet je goed kauwen. Als je dat niet doet worden de voedingsstoffen die in het eten zitten minder goed door je darmen verwerkt. Ook worden ze dan minder goed in het bloed opgenomen. En die stoffen zijn juist belangrijk om goed gezond te blijven. Probeer daarom je tanden gezond en sterk te houden.

Er is geen enkel deel van je lichaam dat meer door bacteriën wordt aangetast dan je tanden. Je kent het waarschijnlijk wel, dat plakkerige witte laagje dat op je tanden komt, als je een keer je tanden niet goed poetst. Dat is tandplak. Tandplak bestaat voor het grootste gedeelte uit bacteriën. De bacteriën zetten het zoet in eten en drinken om in zuur. Dit zuur lost het glazuur (= de harde buitenkant) van de tanden en kiezen op, waardoor gaatjes ontstaan. Dan krijg je kiespijn en moet je naar de tandarts. Die boort de gaatjes schoon en maakt ze met een vulling dicht.

Maar het is beter om te zorgen dat je geen gaatjes krijgt. Dat doe je door je tanden regelmatig goed te poetsen. Het beste is om tenminste twee keer per dag je tanden te poetsen: na het ontbijt en in ieder geval elke dag voordat je naar bed gaat. Je moet zeker twee minuten lang je tanden poetsen. Want anders werkt de fluoride niet goed. Fluoride maakt je tanden sterk en zorgt ervoor dat je geen gaatjes krijgt. Wel is het belangrijk dat je de tandpasta niet doorslikt.

Zo poets je je tanden:

  • Begin bij het bovengebit, dat poets je van boven naar beneden, eerst goed de buitenkant en daarna de binnenkant. Poets daarna de onderkant (kauwvlakken) van je kiezen.
  • Daarna doe je het ondergebit, dat poets je van onder naar boven en ook eerst de buitenkant en daarna de binnenkant. Vergeet niet de bovenkant van je kiezen!
  • Poets vooral goed op de scheiding van tandvlees en tanden, want daar zitten de meeste bacteriën!
  • Spoel je mond daarna goed met schoon water.
  • Neem regelmatig - om de drie maanden - een nieuwe tandenborstel, die niet te hard is.

Het is beter om niet te vaak op een dag een tussendoortje te nemen of te snoepen. Want daardoor krijgt je gebit een 'zuurstoot'. Je gebit kan dat - naast drie maaltijden - maximaal vier keer op een dag hebben. Eén groter tussendoortje is beter dan meerdere kleinere. Suiker, snoep en frisdrank zijn voorbeelden van zaken die erg slecht zijn voor je tanden.

Een losgeraakte tand
Als je een losgeraakte tand hebt, door een val of een klap, zorg dan dat je zo snel mogelijk naar een tandarts gaat! Neem de tand mee door hem in je mond te houden, tussen je wang en je kiezen. De losgeraakte tand mag nooit opdrogen! Raak de tand alleen aan het glazuur aan, dus niet bij de wortel. En maak de tand nooit schoon met kraanwater of zeep! Je kunt de tand alleen schoonspoelen met gewone melk of in een glas lauw water met daarin een theelepeltje zout. Als je de tand echt niet in je mond kunt bewaren, neem hem dan mee in een glas melk.

[tekening]

b Een kleine schaafwond behandelen
Wanneer je een schaafwond hebt, doordat je je hebt gekrabd, geschuurd of gesneden, maak de wond dan schoon en laat er wat jodium, betadine of sterilon op doen. Bedek de wond zo, dat er geen stof of vuil in kan komen. Zorg dat er wel lucht bij kan komen, want door de lucht droogt de wond en komt er een korstje op. Elke wond heeft lucht nodig om te genezen.

Een schaafwond kun je beter niet afplakken met pleisters of verband, anders plakt het wondvocht vast aan het gaas. Ook moet de wond kunnen drogen. Als je de wond toch moet beschermen, bijvoorbeeld tegen zand of vuil, doe er dan zo kort en losjes mogelijk een gaasje of pleister overheen. Haal het er wel zo snel mogelijk weer af, zeker als je naar bed gaat.

Als de wond groot of diep is, moet je er altijd iemand naar laten kijken. Ga bij erg grote of erg vuile wonden eventueel naar de dokter. Bij grote of diepe schaafwonden moet je zorgen dat er geen vuil in de wond blijft zitten. Als het nodig is, boen je het vuil er onder de kraan uit. Gebruik dan alleen water, dus geen zeep. Hoe minder vuil er in de wond zit, hoe eerder hij geneest.

9 Netheid
Nederland heeft de naam een schoon land te zijn. Maar is dat wel zo? Kijk maar eens om je heen! Overal langs wegen, in parken, plantsoenen en bossen vind je schillen, plastic zakken, blikjes, papier, kauwgom en andere rommel. Het duurt soms jarenlang voordat dat afval vergaan is. Sommige dingen vergaan zelfs helemaal niet!

Gooi jij thuis wel eens je afval zomaar op de grond? Vast niet! Ook als je op pad bent is het een kleine moeite om je eigen rommel mee te nemen. Dat gooi je onderweg in een afvalbak. Of je gooit het weg als je thuiskomt. Help mee om je wijk, je stad en de natuur schoon te houden en laat nooit je rommel achter.

Wees ook netjes op je kleren en je eigen omgeving, zoals je huis, je eigen kamer, je spullen, het clubgebouw of je school.

Schoonmaakactie
Welpen tijdens de jaarlijkse schoonmaakactieOngeveer één keer per jaar organiseert onze groep een grote schoonmaakactie. Dan ruimen we alle rommel langs de wegen en in de bossen rond ons clubgebouw op. Na de tijd ziet het er weer piekfijn uit! En als het opgeruimd is, ligt er ook minder snel nieuwe rommel. Want afval trekt afval aan, lijkt het wel. Ruim jij de rommel rond jouw huis wel eens op?

Maar let op!
Als je rommel opruimt is dat natuurlijk prima. Maar met sommige dingen moet je heel erg voorzichtig zijn. Als je ergens een naald, een spuit of glas ligt, moet je dat altijd laten liggen!! Je kunt er heel erg ziek van worden als je je prikt of snijdt. Dat geldt ook voor alle andere rommel die je niet kent. Waarschuw dan wel altijd zo snel mogelijk een volwassene, want andere kinderen kennen de gevaren misschien niet.
Het beste is om prikkers of handschoenen te gebruiken, zodat je nergens met je blote handen aan hoeft te zitten. En natuurlijk was je na de tijd goed je handen!

10 De gevaren van elektriciteit kennen
Wat is elektriciteit? Zonder elektriciteit doet het licht het niet, gaat de televisie uit en doet ook de computer het niet meer. Je kunt elektriciteit niet zien, maar als het er niet is, merk je het vaak direct. Met elektriciteit kun je licht en warmte maken en er werken heel veel apparaten op.

Hoe wordt elektriciteit gemaakt?
Elektriciteit wordt opgewekt (=gemaakt) door een magneet, die in een spoel draait. Het magnetisch veld van die magneet zorgt ervoor dat er in de spoel elektriciteit wordt opgewekt. Dat gebeurt in het klein ook in de dynamo van je fiets! Maar voor alle lampen en apparaten in je huis moet je wel heel veel fietsdynamo's laten draaien. Dat kan natuurlijk niet. Daarom wordt de elektriciteit voor ons gemaakt in elektriciteitscentrales. Daar wordt met hele grote dynamo's elektriciteit opgewekt. Om die dynamo's te laten draaien wordt aardgas, aardolie, afval of steenkool verbrand. Soms wordt gebruik gemaakt van kernenergie. Deze energiebronnen zorgen voor veel vervuiling van het milieu. Daarom is het belangrijk dat je zuinig bent met elektriciteit. Dus laat bijvoorbeeld geen lampen branden als het niet nodig is.
Elektriciteit kan ook op een schone manier worden opgewekt. Bijvoorbeeld met windmolens, waterkracht en zonne-energie. Dat wordt ook wel groene energie genoemd.

Vanuit de elektriciteitscentrales wordt de elektriciteit met kabels aan grote masten door het hele land verdeeld. Met kleinere kabels, die meestal onder de grond liggen, gaat de elektriciteit naar de huizen, fabrieken en scholen toe. Het stopcontact waar jij de stekker insteekt is dus via al die kabels met een elektriciteitscentrale verbonden.

Elektriciteit is erg gevaarlijk! Als je een elektrische schok krijgt kun je ernstig gewond raken. Je kunt er zelfs dood aan gaan. Doe daarom altijd voorzichtig met elektriciteit!

Zo haal je een stekker uit het stopcontact!

  • Een stekker haal je uit het stopcontact door de stekker vast te pakken. Trek nooit aan het snoer.
  • Kom nooit met natte handen aan een snoer, stopcontact of lichtschakelaar. Want water geleidt elektriciteit heel erg goed. Pas ook op met water bij stopcontacten, lichtschakelaars, lampen en elektrische apparaten.
  • Wanneer je een kapot snoer of een kapotte stekker ziet, waarschuw dan direct iemand. Bijvoorbeeld je ouders, de leiding of een andere volwassene. Probeer het nooit zelf te maken!

• Onweer
Ook in de natuur komt elektriciteit voor. En dat kun je zien en zelfs horen! Want een bliksemflits is ook elektriciteit. Eigenlijk is het een soort enorme vonk. Dat komt doordat de lucht in bepaalde wolken (stapelwolken) zich zo snel tegelijk omhoog en omlaag beweegt dat er elektrische spanning ontstaat. Die spanning wil zich ontladen. Dat veroorzaakt de bliksem. Die ontlading gebeurt vaak in een wolk of tussen twee wolken. Dan zie je de wolken soms alleen maar een beetje oplichten. Maar soms is er een ontlading tussen een elektrisch geladen wolk en de aarde. Dat noemen we een blikseminslag. De bliksem zoekt vaak de kortste weg naar de aarde, bijvoorbeeld via kerktorens, masten of hoge bomen.

Donder en bliksem
OnweerDe bliksem is heel erg heet: wel 30.000 graden Celsius. De buitenkant van de zon is bijvoorbeeld 'maar' 5.500 graden Celcius! De spanning in de bliksem loopt in de miljoenen volts. Bij elektriciteit uit een stopcontact is dat ongeveer 220 volt. Een bliksemflits is meestal rond de 5 kilometer lang en 2,5 centimeter dik. Maar sommige zijn wel meer dan 100 kilometer lang! In Nederland slaat de bliksem ongeveer 100.000 keer per jaar in. Je hoort een knal doordat de bliksemflits zo heet is, dat de lucht heel snel uitzet (= 'dikker' wordt). De drukgolf (een soort explosie) die ontstaat kun je horen, dat is de donder.De donder komt altijd later dan de flits. Dat komt doordat licht zich veel sneller verplaatst dan geluid. Door dat verschil kun je uitrekenen hoe ver een onweersbui nog weg is. Geluid verplaatst zich met een snelheid van 340 meter per seconde. Als de donder dus drie seconden (= drie tellen) na het zien van een bliksemflits te horen is, dan is het onweer nog maar 1 kilometer (1000 meter) ver weg. En dat is gevaarlijk dichtbij! Daarom moet je altijd naar een veilige plek gaan als er tussen flits en donder minder dan 10 seconden zit. Door hardop van 21 tot 30 te tellen kun je ongeveer op 10 seconden uitkomen. Probeer het maar eens uit met een klok met secondenwijzer.Wist je dat een bliksemflits altijd van beneden naar boven gaat? Dus van de aarde naar de wolken. Doordat de flits zo snel gaat kun je dat niet zien!

Onweer is erg gevaarlijk. Je moet daarom altijd een veilige plek opzoeken als de tijd tussen bliksem en donder minder dan 10 seconden (10 tellen) is! Je kunt het beste naar binnen gaan: in huis of in een auto of metalen caravan zijn veilige plaatsen. Een tent is niet veilig! Blijf bij de ramen vandaan en raak geen metalen delen aan. De bliksem kan ook via de water- of elektriciteitsleiding in huis komen, dus haal stekkers uit de stopcontacten en blijf van kranen, de wasmachine en verwarming af. Ga ook niet douchen of in bad. Denk ook aan de kabelaansluiting van de tv en de computer. Die apparatuur is erg gevoelig, ook als de inslag verder weg is.

Als je buiten bent en je kunt nergens schuilen, maak je dan zo klein mogelijk door op je hurken te gaan zitten. Het liefst in een sloot of ander laag punt. Hou je voeten tegen elkaar, zodat de stroom niet door je lichaam kan gaan, en hou de handen op je oren. Ga niet plat op de grond liggen en ga niet in een groepje zitten. Schuil nooit onder een alleenstaande boom, langs een bosrand, op een hoog punt of in de buurt van een metalen hek, prikkeldraad of een sloot! Een bos is veel veiliger dan het open veld, omdat de meeste bomen even hoog zijn. Ga niet naast je fiets of iets anders van metaal zitten. Hou ook niet iets vast dat van metaal is, zoals een paraplu. Zelfs een bril kan gevaarlijk zijn. Blijf als je aan het zwemmen of varen bent ook nooit in of op het water. Op een boot is alleen een metalen hut veilig.

Lees veel meer over onweer en het weer op de website van het KNMI.

Elektriciteit uit een citroen
Echt waar, met een citroen kun je elektriciteit opwekken! Het sap van een citroen smaakt heel erg zuur. Dat zure sap kun je gebruiken voor de chemische reactie om elektriciteit op te wekken. Het werkt eigenlijk net zoals een batterij. Probeer het maar eens! Je ouders of de leiding willen je vast wel helpen.

Wat heb je nodig?
- een grote citroen
- twee elektriciteitsdraden van ongeveer 20 centimeter lang
- een stukje messingfolie of een paperclip
- een spanningmeter
Wat moet je doen?
- Haal ongeveer 1 centimeter van de plastic isolatie af van beide uiteinden van de draden.
- Prik een klein gaatje in de messingfolie en maak het uiteinde van één van de draden eraan vast. Als je geen messingfolie hebt, kun je ook een paperclip gebruiken.
- Prik een gaatje in de citroen en stop daar het uiteinde van de andere stroomdraad in.
- Verbind de overgebleven uiteinden van de draden met de spanningmeter. Schakel de meter in. Als het goed is, geeft de meter 0 Volt aan.
- Druk dan het stukje messing of de paperclip aan de andere kant in de citroen. Op de Voltmeter kun je aflezen hoeveel spanning er wordt opgewekt.

11 Een plant of dier bestuderen

a Bijzonderheden opschrijven en een afbeelding maken
Heb jij ook een huisdier? Dan weet je vast wel hoe je het goed moet verzorgen!Kies een plant of een dier. Schrijf hiervan een aantal bijzonderheden op en maak er een afbeelding van. Wanneer je zelf een huisdier hebt, is deze eis niet zo moeilijk. Je weet vast wel wat jouw huisdier moet eten en hoe je het moet verzorgen. En anders kun je het vragen. Dit schrijf je allemaal op. Zoek in tijdschriften en kranten of je plaatjes van jouw dier kunt vinden en plak die bij je verhaal. Ook schrijf je natuurlijk alle leuke en vervelende gewoontes van jouw huisdier op. Laat je verhaal lezen aan de leiding. Je kunt er de andere welpen ook over vertellen.

Wanneer je zelf geen huisdier hebt, kun je vogels of andere dieren buiten eens goed bekijken. Je kiest een dier uit en dat ga je observeren (= goed bekijken). Alles wat je ziet schrijf je op. Je zoekt er natuurlijk nog wat plaatjes bij.

Een plant of boom kun je ook observeren. Je tekent de bladeren, bloemen en vruchten na. Je zoekt in boeken een aantal bijzonderheden van die plant of boom op. Als je met deze observatie klaar bent, maak je er een tekening of kleifiguur bij.

b Een zaadje laten ontkiemen
Weet jij hoe je planten moet verzorgen? Laat een erwt, boon, zonnepit, eikel, kastanje of beukennoot ontkiemen. Vraag of zoek één van deze vruchten. Neem een klein bakje of doosje en leg daar een paar natte watten of een vochtig lapje in. Leg de boon, pit of noot in de watten of op het lapje. Zorg dat de watten of het lapje vochtig blijven. Kijk om de dag wat er gebeurt en schrijf op wat er te zien is. Je zult zien dat er na een poosje uit de vrucht een klein plantje komt. De vrucht is nu ontkiemd. Zo'n ontkiemd plantje kun je na een tijdje buiten in de aarde stoppen, of in een bloempot, en dan groeit het verder. Laat de leiding lezen wat je hebt gezien.

12 Verkeersregels
Ken de verkeersregels voor voetgangers en fietsers en laat zien dat je die regels gebruikt.

Verkeersregels zijn de spelregels die op straat gelden. Als die er niet zouden zijn, zou het een chaos worden en zouden er veel meer ongelukken gebeuren. Het is dus belangrijk dat je de verkeersregels kent. Want het verkeer is druk en het wordt daardoor steeds gevaarlijker. Het gaat er niet alleen om dat je de verkeersregels kent. Je moet je er natuurlijk ook aan houden! Als iedereen dat doet, wordt het een stuk veiliger op straat. Maar iedereen kan wel eens een foutje maken, dus let toch altijd goed op wat het andere verkeer doet!

Als je met de muis over één van de borden hieronder gaat, zie je wat het bord betekent! Op je tablet of smartphone houd je je vinger op de afbeelding.

a Verkeersregels voor voetgangers

• Wanneer ben je eigenlijk een voetganger?
Natuurlijk als je gewoon op een voetpad, het trottoir (=de stoep) of op straat loopt. Maar je bent ook voetganger als je met je fiets aan de hand loopt en als je op rolschaatsen, skates of een skateboard bent.
bord voetpadbord verbod voetgangersbord einde verplicht voetpad

• Waar moet je lopen?
Je loopt normaal gesproken op het voetpad of het trottoir. Dat is veilig. Als dat er niet is, loop je op het fietspad. Je moet dan wel oppassen dat je de fietsers of brommers niet hindert. Dus je loopt niet naast, maar achter elkaar. En als er ook geen fietspad is, zoals vaak buiten de stad, dan loop je links van de weg, het liefst in de berm of anders helemaal aan de linkerkant van de weg. Als je namelijk helemaal links loopt, kun je tegemoetkomend verkeer het beste zien aankomen en op tijd uitwijken.

Als je aan het skaten of rolschaatsen bent gelden dezelfde regels. Maar als er geen voet- of fietspad is, mag je op de rijbaan skaten. Maar dan moet je wel heel goed uitkijken, want dat is erg gevaarlijk! Zorg eerst dat je goed kunt remmen en ga niet skaten als het regent of als de weg nog nat is. Je moet alle andere weggebruikers voorrang geven.

• In het donker
Als je in het donker loopt, zorg dan dat je verlichting bij je hebt of dat er voldoende reflecterende (=lichtgevende) strepen op je kleding (of rugzak!) zitten. Want het is erg belangrijk dat automobilisten je op tijd goed kunnen zien.

• Hoe moet je oversteken? - Goed uitkijken!
Dat lijkt simpel. Maar de meeste ongelukken met kinderen gebeuren doordat ze plotseling de weg oprennen. Het is dus belangrijk om goed te weten hoe je moet oversteken.

Kijk voor het oversteken eerst naar links, dan naar rechts en dan weer naar links. Steek niet eerder over dan wanneer de weg aan beide kanten vrij is! Blijf goed uitkijken. Steek altijd haaks (=recht) over en blijf niet op de weg staan. Steek ook bij kruispunten nooit schuin over, maar loop van hoek naar hoek om het kruispunt heen. Het beste kun je oversteken bij een zebrapad, een oversteekplaats of een verkeersheuvel. Kijk vooral heel goed uit als je tussen geparkeerde auto's door moet. Het andere verkeer kan jou dan moeilijk zien!

Bij verkeerslichten wacht je tot het andere verkeer stilstaat en het licht voor jou op groen springt. Let wel op dat er geen verkeer doorrijdt of juist om de hoek komt!

bord zebrapadEen voetganger mag een zebrapad niet betreden als het verkeer al zo dichtbij is dat het niet meer kan stoppen. Zebra's met verkeerslichten mag je alleen gebruiken als het licht voor jou op groen staat. Binnen 30 meter van een zebrapad mag je niet oversteken.

Voetgangers mogen niet blijven staan op plaatsen waar zij het verkeer belemmeren of in gevaar brengen, bijvoorbeeld op bruggen, hoeken van straten en bij kruispunten. Dat geldt trouwens ook voor andere weggebruikers.

• Woonerf
bord woonerfOp een woonerf mogen voetgangers overal op de weg lopen. Je mag er ook spelletjes doen. Het verkeer mag er niet harder rijden dan stapvoets (=zo snel als je loopt). Als je op een erf speelt moet je het andere verkeer natuurlijk wel de gelegenheid geven de weg te vervolgen.

b Verkeersregels voor fietsers

• Waar moet je fietsen?
De belangrijkste regel is: fiets altijd zoveel mogelijk rechts op de weg! Als er een fietsstrook (=zo'n rode strook met een fiets erin getekend) of een fietspad is, fiets je daar natuurlijk. Alleen als die er niet zijn, fiets je op de rijbaan.

bord verplicht fietspadbord onverplicht fietspad

bord fietsers oversteken

Verplichte fietspaden worden door een rond blauw bord met een witte fiets erop aangegeven. Op de stoep en op voetpaden mag je niet fietsen. Ook mag je niet fietsen waar deze borden staan:

bord verboden voor fietsersbord verboden voor bromfietsers en fietsersbord verboden voor trekkers en (brom)fietsers

Haal andere fietsers of voetgangers links in en rijd verkeersheuvels rechts voorbij.

• Afslaan
Als je afslaat naar rechts maak je een kleine bocht. Naar links maak je juist een grote bocht, zodat je weer rechts op de weg uitkomt. Kijk eerst over je schouder achterom of de weg vrij is. Dat doe je over je schouder aan de kant waar je naartoe wilt afslaan. Als de weg vrij is steek je altijd eerst je hand uit in de goede richting. Dan pas neem je de bocht, met beide handen aan het stuur.

Als je afslaat moet je al het andere verkeer dat rechtdoor gaat, voor laten gaan. Dus ook voetgangers. Als je linksaf slaat moet je ook al het verkeer dat rechtsaf slaat voor laten gaan.

Als je linksaf slaat mag je voorsorteren, maar dat hoeft niet. Behalve als dat op het wegdek met voorsorteervakken en -pijlen is aangegeven. Sla pas linksaf als je achterom hebt gekeken en je zeker weet dat het rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg je de gelegenheid geeft.

• Voorrang verlenen
Als fietser moet je voorrang verlenen aan:
- alle bestuurders (=alle weggebruikers, behalve voetgangers) op een voorrangsweg
- alle bestuurders die op een gelijkwaardige kruising (=een kruising zonder voorrang) van rechts komen
- voetgangers op een zebrapad.

Bij deze borden moet jij voorrang verlenen!

bord stopbordbord voorrang verlenenBij het rechter bord zie je op straat meestal witte 'haaientanden'.

En deze borden vertellen dat jij op een voorrangsweg rijdt:

bord voorrangswegbord voorrangskruisingbord voorrang op weg van rechts

Maar als je op de fiets de bocht omgaat, mag je rechtdoorgaande voetgangers niet hinderen.

Als je op een voorrangsweg rijdt, heb je voorrang op al het verkeer dat van een andere weg komt. Dat geldt niet als dat een politie- of brandweerauto of een ambulance is. Tenminste, als je de sirene hoort en de blauwe knipperlichten ziet. Maar wees toch altijd heel voorzichtig. Op de fiets ben je nu eenmaal veel kwetsbaarder dan in een auto!

• Verkeerslichten
- Als er fietsverkeerslichten zijn, volg je die.
- Anders volg je het verkeerslicht met de pijl in de richting die je wilt gaan.
- Als er ook geen verkeerslichten met pijlen zijn, volg je het gewone verkeerslicht.

Wat doe je als je bij een verkeerslicht komt?
- Als het licht groen is, mag je doorrijden.
- Als het licht op geel/oranje springt, moet je stoppen als dat nog kan.
- Als het licht rood is, moet je altijd stoppen.

• Fietsen in een groep
Als je in een groep fietst moet je altijd heel goed opletten. Niet alleen op het andere verkeer, maar ook op elkaar. Dat is belangrijk, omdat je in een groep vaak aan het praten bent en daarom sneller afgeleid bent.

Rij nooit met meer dan twee fietsers naast elkaar. Op smalle wegen en in druk verkeer is naast elkaar rijden levensgevaarlijk. Fiets ook niet te dicht achter of naast elkaar, want je kunt met de wielen of sturen tegen elkaar aan komen.
Fietsers mogen elkaar niet vasthouden. Laat je ook niet voorttrekken door een bromfietser, een scooter of auto. Het is niet alleen verboden, maar ook heel erg gevaarlijk!
Als er iemand bij je achterop de fiets zit, moet dat een kind zijn dat jonger is dan jijzelf.

• Jouw fiets
Wees zuinig op je fiets. Zorg dat de verlichting van je fiets het altijd doet of dat je losse verlichting bij je hebt, bijvoorbeeld bij een mountainbike. De koplamp moet schuin naar beneden zijn gericht, om verblinding van anderen te voorkomen. De verlichting is handig om zelf te kunnen zien waar je rijdt, maar is vooral bedoeld om anderen te laten zien waar jij rijdt!
Ook de remmen en de bel moeten het goed doen. Geef alleen een belsignaal als er voor jezelf of voor anderen gevaar dreigt.
Achterop je fiets moet een grote reflector zitten. Ook reflecterende trappers en wielen zijn verplicht.
Het achterspatbord van je fiets moet helder wit zijn. Als er een plekje begint te roesten, schuur je het af en lak je het bij.

Neem geen tassen mee op of aan het stuur. Als er iets onverwachts gebeurt, gaat het mis! Gebruik een bagagedrager met goede snelbinders of fietstassen. Een rugzakje kan ook.

Een lange sjaal, jas of ander kledingstuk kan tussen de spaken komen. Dat kan vervelende gevolgen hebben. Met een wijde capuchon kun je niet goed naar links of rechts kijken. Schuif hem naar achteren, of doe er een koordje door. Een muts is ook prima. Met een helm op fietsen is niet gek, het is juist veilig!

Gevaarlijke situaties!

  • Vooral in het donker en bij slecht weer (regen, sneeuw, mist) kunnen anderen jou lang niet altijd even goed zien. Dat kan levensgevaarlijk zijn! Zelfs als je met licht fietst kunnen automobilisten je soms niet goed zien. Draag daarom opvallende kleding als je loopt of fietst, het liefst licht en fel gekleurd!
  • Blijf goed rechts rijden en maak geen plotselinge bewegingen. Auto's zijn soms zo snel bij je, dat ze niet meer kunnen remmen als je opeens iets naar links gaat.
  • Ga nooit naast of dicht voor of achter een vrachtwagen staan! Dat is echt levensgevaarlijk. Een vrachtwagen heeft namelijk een 'dode hoek'. Dat is een stuk van de weg naast de vrachtwagen, dat de bestuurder van die vrachtwagen in zijn spiegels niet kan zien. Als je daar staat, terwijl de vrachtwagen afslaat kun je in de knel komen! En dat terwijl de bestuurder jou helemaal niet ziet... Blijf dus altijd ruim achter een vrachtwagen, vooral als hij rechtsaf wil slaan!
  • Houd altijd met tenminste één hand het stuur vast en houd beide voeten op de pedalen.

Meer verkeersborden

Hieronder vind je enkele verkeersborden die elke welp moet kennen. Als je er met de muis overheen beweegt, kun je zien wat het bord betekent.

bord doodlopende wegbord eenrichtingsweg bord verboden in te rijdenbord rotonde

bord gevaarlijke kruisingbord onbewaakte spoorwegovergangbord verboden voor alle verkeerbord spelende kinderen

Nog een paar verkeerstips
- Als je uit een auto stapt, doe dat dan aan de kant van de stoep.
- Doe in een auto altijd de gordel om. Die beschermt je bij een ongeluk.bord informatie
- Geef het goede voorbeeld aan andere (kleine) kinderen!
- Neem een reparatiesetje, een fietspomp en een EHBO-setje mee als je een fietstocht maakt.
- Zet altijd je fiets op slot als je erbij weggaat.
- En nog een laatste bord. Weet je wat de i op het bord hiernaast betekent? Het is eigenlijk geen verkeersbord, maar het kan wel heel handig zijn!

Je vindt veel meer over het verkeer en verkeersregels op de website van Veilig Verkeer Nederland.

Laten zien dat je een echte welp bent

Op de volgende manier laat je zien dat je een echte welp bent:Een welp

  • Je doet je best om de welpenwet na te komen, niet alleen in de horde, maar altijd: thuis, op school en op straat.
  • Je helpt iemand, ook als hij of zij daar niet om gevraagd heeft.
  • Elke hordebijeenkomst ben je op tijd aanwezig en doe je je best.
  • Je helpt de andere welpen in de horde.
  • Je komt altijd netjes in uniform op de horde en je hebt altijd je welpenzakboekje, een pen, schrijfblokje, touwtje en een schone zakdoek bij je.

Wanneer je dat allemaal echt probeert en je alle eisen afgetekend hebt, dan krijg je de eerste ster. Deze ster draag je op je pet aan de rechterkant van de wolvenkop.

Als je de eerste ster krijgt, gaat net als bij een jonge wolf, één oog open. Door de ster op je welpenpet kan iedereen dat zien. Als je de eerste ster hebt gehaald, kun je verder werken aan de eisen voor de tweede petster. Als je die ook hebt gehaald, zijn beide ogen open. Dan mag je twee petsterren op je pet dragen, aan beide kanten van de wolvenkop.

Knopen in de das
Vroeger hadden alle welpen vanaf de installatie knopen in beide punten van de groepsdas. Deze knopen betekenen dat de ogen van de welp nog gesloten zijn. Bij het halen van de eerste petster mocht één knoop uit een punt van de das worden gehaald. Bij het halen van de tweede ster mocht ook de andere knoop uit de punt van de das worden gehaald.

Wat wil je nu doen?
Ga terug naar het overzicht
Ga naar de eisen voor de tweede ster
Ga terug naar de algemene informatie over stereisen
Ga terug naar de pagina Junglegebruiken
Ga terug naar de welpenpagina
Ga naar de pagina over het Jungleboek