De jungleverhalen

Hieronder vind je een samenvatting van alle verhalen uit Het Jungleboek waarin Mowgli een rol speelt. De uitgewerkte verhalen zijn ook heel geschikt om voor te lezen. Als je op een titel klikt, springt het scherm direct naar dat verhaal toe.

De verhalen met een * worden nog verder uitgewerkt.

Ga terug naar de pagina over Het Jungleboek

Het Eerste Jungleboek

De broeders van Mowgli
Dit is het eerste jungleverhaal, dat eigenlijk uit twee delen bestaat.

  • Het eerste deel vertelt hoe Mowgli als heel klein jongetje bij de horde kwam. Mowgli was toen ongeveer een jaar oud. Dit is het verhaal dat aan alle nieuwelingen wordt verteld, voordat ze geïnstalleerd worden bij de horde.
  • In het tweede deel lees je hoe Mowgli Akela verdedigt tegenover Shere Kahn en de horde. Mowgli is dan ongeveer twaalf jaar oud.

De opname van Mowgli in de horde
Het was in de Sionieheuvels, rond zeven uur op de avond van een erg warme dag. Vader en Moeder Wolf lagen met hun vier spelende welpen voor de ingang van hun hol. Vader Wolf was net wakker geworden, had zich eens uitgerekt en wilde gaan jagen, toen plotseling Tabaqui, de jakhals, naast hem stond. Tabaqui is altijd op zoek naar restjes eten. Niet alleen bij de wolven, maar ook tussen het vuilnis bij het mensendorp. Alle wolven hebben een hekel aan hem omdat hij roddels vertelt en een ruziestoker is. Vader Wolf vertelde hem dat er niets meer te eten was, maar daar deed Tabaqui niets op uit. Met een gluiperige stem zei Tabaqui dat de tijger Shere Kahn zijn jachtgebied bij de Waingoenga-rivier had verlaten om te gaan jagen in de Sionie Heuvels. De wolven keken elkaar geschrokken aan. ‘Dat is het jachtgebied van de Sionie Horde’, zei Vader Wolf boos. En Moeder Wolf was bang dat hij het vee bij het mensendorp zou doden, waardoor de mensen bang en kwaad zouden worden. Als ze op hem gingen jagen konden ze de jungle wel in brand steken. ‘Zal ik Shere Kahn eens vertellen hoe de wolven over hem denken?’ vroeg Tabaqui nog op een pesterige manier. Toen gooide Vader Wolf hem het wolvenhol uit, want hij had al meer dan genoeg vervelende praatjes verteld. Tabaqui sloop snel weg, de jungle in.

Even later al hoorde de wolvenfamilie het gegrom van Shere Kahn, die in het dal op jacht was. Opeens volgde er een enorme kreet, gevolgd door gehuil. De tijger had zijn prooi gemist en was met zijn poten in een houthakkersvuur gesprongen. ‘Mensen’, riep Vader Wolf, ‘hij jaagt vandaag op mensen’. Vader Wolf had het geluid herkend en werd nog kwader dan hij al was. De dieren van de jungle hadden namelijk afgesproken nooit op mensen te jagen, omdat daar alleen maar narigheid van kwam. Dan kwamen er namelijk jagers de jungle in, waardoor alle jungledieren gevaar liepen.

Plotseling hoorde Moeder Wolf iets de heuvel opkomen, in de richting het wolvenhol. De struiken ritselden. Op het moment dat Vader Wolf wilde springen, zagen ze een mensenjong uit de struiken kruipen. Het kon nog maar net lopen. ‘Is dat een mensenjong?’ Moeder Wolf keek eens goed. ‘Ik heb er nog nooit een gezien.’ Ze pakte het jong voorzichtig in haar bek en legde het bij haar eigen jongen in het hol. Het mensenjong kroop tussen de welpen om zich te warmen.

Plotseling werd het donker in het hol. Shere Kahn stond in de opening van het hol en was zover hij kon naar binnen gegaan. Maar hij was zo groot dat eigenlijk alleen zijn kop naar binnen kon. Vader Wolf vroeg beleefd wat de tijger wenste, maar zijn ogen fonkelden van kwaadheid. Shere Kahn gromde en eiste zijn prooi op: ‘Geef me het mensenjong, het is hier naar binnen gegaan en het is van mij!’. Het gebrul van de tijger donderde door het hol. Maar dat had hij beter niet kunnen zeggen. Met een sprong stond Moeder Wolf woedend voor Shere Kahn, die zich hierdoor opeens weer herinnerde waarom zij ook wel Raksha, de duivelin, werd genoemd. ‘Het mensenjong is van mij, Loengri (dat betekent 'lamme', want de tijger was kreupel aan één poot), en van mij alleen. Het zal niet gedood worden, maar leven in de horde om uiteindelijk jacht te maken op jou! En nu eruit!!’ Shere Kahn vertrok, omdat hij wist dat hij nooit tegen Raksha op zou kunnen. Vader Wolf keek verwonderd toe. Bij het weglopen riep Shere Kahn: ‘We zien nog wel wie het mensenjong krijgt. Wat zal de horde over hem zeggen? Het is mijn prooi en ik zal het krijgen!’

Vader Wolf wist dat de tijger gelijk had. Ze moesten het jong aan de horde laten zien. Maar Raksha, die weer bij haar jongen lag, wist het zeker, ze wilde het mensenjong houden. Hij is alleen en uitgehongerd bij mij gekomen en hij was helemaal niet bang voor de wolven. ‘Lig stil, kleine kikvors’, zei Raksha. ‘Ja, Mowgli, de kikvors, zo zal ik je noemen! Ooit zul je Shere Kahn opjagen zoals hij dat met jou heeft gedaan!’

De Wet van de Jungle zegt dat alle jonge welpen zodra ze oud genoeg zijn om op eigen poten te staan, meegenomen moeten worden naar de Horderaad. De Horderaad is een vergadering van alle wolven, die altijd bij volle maan wordt gehouden. Alle andere wolven kunnen dan de nieuwe welpen bekijken. Daarna mogen ze tot ze volwassen zijn gaan en staan waar ze willen. Geen andere wolf mag ze in die tijd kwaad doen.

Toen zijn welpen konden lopen, nam Vader Wolf ze mee naar de Horderaad. Deze werd gehouden bij de Raadsrots, een heuvel met rotsblokken, waar plaats was voor wel honderd wolven. Bovenop de Raadsrots lag Akela, de grote grijze eenzame wolf en aanvoerder van de horde. De jonge welpen werden aan de horde getoond. Sommige werden door hun bezorgde moeder naar het midden van de kring geduwd. Akela riep steeds: ‘Jullie kennen de Wet. Kijk goed toe, o wolven, kijk goed’. Maar op het moment dat Vader Wolf Mowgli naar voren schoof, riep Shere Kahn met een luid gebrul: ‘Die welp is mijn prooi, geef hem aan mij!’ Akela vervolgde onverstoorbaar: ‘Kijk goed, o wolven’. Want wat hadden de wolven van de Sionie Horde, het Vrije Volk, te maken met de bevelen van een buitenstaander? Maar toch was er een jonge wolf die vroeg wat de wolvenhorde met een mensenjong te maken had.

In de Wet van de Jungle staat dat bij een verschil van mening over het opnemen van een welp in de horde tenminste twee leden van de horde in het voordeel van die welp moeten spreken. Maar dat mogen niet de vader en moeder zijn.

Op dat moment stond Baloe, de bruine beer, op. Hij was het enige andere dier dat toegelaten was tot de Horderaad, omdat hij de welpen de Wet van de Jungle leert. Hij sprak in het voordeel van het mensenjong, omdat het niemand kwaad zou doen. Baloe beloofde dat hij het zelf zou onderwijzen. Akela zei toen: ‘Wij hebben nog iemand nodig, wie spreekt er naast Baloe?’

Er viel een zwarte schaduw in de kring. Het was Bagheera, de inktzwarte panter. Hij vertelde dat hij geen recht van spreken heeft in de Horderaad, maar dat de Wet van de Jungle zegt dat het leven van een welp afgekocht kan worden. En de Wet zegt niet wie dat wel of niet mag doen. Bagheera beloofde de horde een vette stier, die hij net had gedood. Tenminste, als de horde het mensenjong wilde aannemen. Er klonk een rumoer uit de horde op: ‘Dat mensenjong houdt het toch niet vol. Laat hem maar meelopen!’ En Akela’s stem klonk weer: ‘Kijk goed toe, kijk goed, o wolven’. De wolven bekeken Mowgli één voor één en liepen de heuvel af, op zoek naar de stier. Shere Kahn brulde van woede en verdween in de nacht.

Zo werd Mowgli opgenomen in de horde der Sionieheuvels, voor de prijs van een vette stier en op voorspraak van Baloe.

De Rode Bloem
Het verhaal slaat een jaar of tien, elf over. Een tijd waarin Mowgli opgroeide binnen de horde en van Vader en Moeder Wolf, Baloe en Bagheera alles leerde wat hij over de jungle leren moest. Hij nam zijn plaats in bij de Raadsrots, voelde zich een wolf en wantrouwde de mensen. Maar tegelijk ontdekte hij dat iedere wolf die hij aankeek gedwongen was de ogen neer te slaan. Raksha en Bagheera waarschuwden hem steeds weer voor Shere Kahn, die hem wilde doden en ook steeds meer zijn pad kruiste. Want de manke tijger was dikke vrienden met de jonge wolven uit de horde, iets wat hem nooit gelukt zou zijn toen Akela nog jonger was.

Dan vertelt Bagheera iets aan Mowgli wat niemand in de jungle weet. Hij draagt het teken van de halsband, omdat hij net als Mowgli is geboren onder de mensen, in de kooien van het paleis van Oodeypoer. Zo kent hij de manieren van de mensen en daarom wordt hij, nog meer dan de tijger, door de hele jungle gevreesd. Behalve door Mowgli, omdat ook hij Mowgli niet in de ogen kan zien. Bagheera waarschuwt Mowgli dat de horde zich tegen hem en Akela zal keren, zodra de oude Akela zijn eerste prooi mist. Want veel wolven in de horde zijn opgehitst door Shere Kahn en haten Mowgli, omdat ook hun ogen de zijne niet kunnen weerstaan en omdat hij een mens is. Bagheera krijgt plotseling een idee en vraagt Mowgli de Rode Bloem te halen uit het mensendorp en het bij zich te houden voor in tijd van nood. Met de Rode Bloem bedoelt Bagheera het vuur, want geen enkel levend wezen in de jungle zal het vuur bij zijn echte naam noemen.

Nog voordat hij bij het mensendorp is, hoort Mowgli hoe Akela zijn prooi mist. Hij haast zich nog meer, steelt een vuurpot en komt de volgende ochtend Bagheera tegen. Die vertelt Mowgli dat hij die avond wordt verwacht bij de Raadsrots. Hij gaat naar de Horderaad. Daar ligt Akela naast zijn rotsblok, het teken dat het leiderschap van de horde open is.

Shere Kahn liep er al rond met de wolven die hem volgden en begon te spreken, hoewel hij daartoe het recht niet had. De oudere wolven overstemden de anderen en gaven het woord aan Akela, de Dode Wolf, zo genoemd omdat hij niet meer lang te leven had na het missen van zijn prooi. Akela daagde daarop alle wolven uit om het één voor één tegen hem op te nemen. Dat recht had hij, volgens de Wet van de Jungle. Shere Kahn schreeuwde dat hij Mowgli wilde doden, omdat hij na tien jaar nog steeds recht had op zijn buit. De meeste wolven schaarden zich achter de tijger, maar Akela en Bagheera namen het op voor Mowgli en herinnerden aan de eer van de horde. Het doden van een broeder zou schande over de horde brengen. Zij beloofden niet te zullen vechten voor Mowgli als hij naar de mensen mocht terugkeren. Maar de meeste wolven stonden achter Shere Kahn.

Nu lag de zaak in Mowgli’s handen. Hij stond op met de vuurpot in zijn hand en was woedend, maar liet het niet merken. Hij gooide het vuur in het gras, dat onmiddellijk vlam vatte, pakte een tak en zwaaide die brandend in het rond. De Horderaad deinsde terug voor de vlammen. Bagheera riep dat Mowgli Akela moest redden. Mowgli nam het woord en kondigde aan dat hij tegen zijn zin naar de mensen terug zou keren. De volgende keer dat hij op de Raadsrots zou verschijnen, zou dat zijn met de huid van Shere Kahn rond zijn schouders. Hij pakte de versufte Shere Kahn bij zijn manen, schroeide de tijger met de brandende tak en verbood het de horde Akela te doden. Vervolgens joeg hij de tijger en zijn volgelingen met het vuur weg van de Raadsrots.

Alleen Akela, Bagheera en een tiental wolven die Mowgli’s zijde hadden gekozen bleven over. Mowgli ging zitten en huilde, iets wat hij nog nooit had gedaan en ook niet begreep. Hij ging terug naar het wolvenhol en zei vaarwel tegen Vader en Moeder Wolf en zijn vier broeders. Mowgli beloofde spoedig terug te komen om de huid van Shere Kahn over de raadsrots uit te spreiden. Het werd al licht toen Mowgli de heuvel afdaalde, naar de geheimzinnige wezens die mensen worden genoemd.

Hoe Mowgli de tijger Shere Kahn versloeg en welke avonturen hij nog meer beleefde, ook voordat hij naar de mensen ging, kun je lezen in de volgende verhalen uit het Jungleboek.

Kaa's jacht
Dit verhaal speelt zich af enige tijd voordat Mowgli uit de Sionie Horde werd verbannen en ook voor hij wraak nam op Shere Kahn. Het was in de dagen dat Baloe hem onderwees in de Wet van de Jungle. Mowgli is dan ergens tussen de acht en tien jaar oud.

Nadat Mowgli in de horde was opgenomen, werd Baloe, de grote oude bruine beer en onderwijzer van de Wet, zijn leermeester. Soms kwam Bagheera, de panter, door de jungle aanslenteren om te zien hoe zijn beschermeling het maakte. Baloe leerde Mowgli de Wet van de Jungle, de Wetten van het Woud en van het Water. Want niemand van het Junglevolk wordt graag gestoord en allen staan onmiddellijk klaar om een indringer aan te vliegen. Daarom leerde hij ook de Jachtroep van de Vreemdelingen, die wordt gebruikt wanneer men gaat jagen buiten het eigen jachtgebied. Hij moet luid worden herhaald, totdat hij wordt beantwoord. Vertaald wil deze jachtroep zeggen: ‘Geef mij toestemming hier te jagen, want ik heb honger.’ En het antwoord is: ‘Jaag dan voor voedsel, maar niet voor vermaak.’ Deze regels moest Mowgli uit zijn hoofd leren in alle dierentalen van de jungle.

Mowgli was een vlugge leerling, maar hij was een mensenjong en werd er vreselijk moe van, dezelfde dingen steeds weer te moeten herhalen. En als hij het niet goed deed, kreeg hij ook nog een oorvijg van Baloe op de koop toe. Want een mensenjong is een mensenjong en het moet de hele Wet van de Jungle kennen. Eens was Mowgli na zo’n klap kwaad weggelopen. Bagheera had alles gezien en vond dat Baloe Mowgli veel te hard behandelde. Maar Baloe dacht er anders over en zei: ‘Ik leer hem de Meesterwoorden van de Jungle, zodat hij de bescherming in kan roepen van de vogels, het Slangenvolk en alles wat op vier poten jaagt. Is dat soms geen oorvijg waard?’ ‘Goed’, zei Bagheera, ‘als je hem maar niet doodslaat, want hij is geen boomstam waar je je klauwen op kunt scherpen.’

Baloe riep Mowgli, zodat hij de Meesterwoorden voor Bagheera op kon zeggen, want die wilde ze ook graag kennen. Mowgli gleed uit een boom naar beneden en was nog steeds kwaad op Baloe. Maar hij zei de Meesterwoorden op, zoals hij ze van Baloe had geleerd: ‘Wij zijn van één bloed, jij en ik’. En hij deed het in de taal van de beren, de vogels en de slangen. Volgens Baloe hoefde hij nu voor niemand meer angst te hebben. ‘Behalve voor zijn eigen stam,’ mompelde Bagheera. Mowgli was intussen al een tijdje aandacht aan het trekken door aan Bageera's pels te trekken en hem te schoppen. Hij riep: ‘En nu zal ik een eigen stam hebben en ik zal hem de hele dag door de boomtoppen leiden. Ze zullen takken en vuil naar Baloe gooien, dat hebben ze mij beloofd.’ Hij merkte dat Baloe en Bagheera boos waren. Ze wisten namelijk direct dat hij met de Bandar-log, het Apenvolk, had gesproken. En dat is een grote schande, want het Apenvolk is een volk zonder wetten.

Mowgli vroeg Baloe waarom hij hem nooit over de Bandar-log had verteld. ‘Ze willen dat ik hun leider wordt.’ ‘Dat kan niet, ze liegen, de Bandar-log heeft geen leider’, zei Baloe, ‘geen wetten en geen eigen taal. Zij hebben geen herinnering. Zij willen grote dingen doen in de jungle, maar door een vallende noot zijn zij alles al vergeten. Het zijn verstotenen, die in de toppen van de bomen leven, waar geen van de dieren hen kan zien. Het enige wat zij doen, is met stokken en noten naar zieke dieren gooien. Geen dier wil daarom naar hen omkijken.’ Hij had het nog niet gezegd of een regen van noten en takken kwam uit de bomen naar beneden. Baloe en Bagheera renden weg, met Mowgli tussen hen in. Toen het tijd werd voor een middagdutje gingen ze liggen. Mowgli, die zich diep schaamde, viel tussen de beer en de panter in slaap. Hij had zich voorgenomen dat hij zich nooit meer met het Apenvolk zou bemoeien.

Het eerste wat Mowgli zich daarna herinnerde, was dat hij door sterke, kleine handen bij zijn armen en benen werd vastgegrepen en dat de bladeren in zijn gezicht zwiepten. Hij keek in de diepte, waar Baloe met zijn gebrul de jungle wakker maakte en Bagheera tegen de boom omhoog sprong met zijn tanden ontbloot. De Bandar-log vluchtte met Mowgli naar de hoogste takken, waar Bagheera hen niet kon volgen. Die vlucht van de apen door de boomtoppen is niet te beschrijven. Ze weten er precies de weg, zelfs 's nachts. Maar al genoot Mowgli soms zelfs van de wilde tocht en het verre uitzicht over de jungle, hij begon zich wel af te vragen hoe hij Baloe en Bagheera moest waarschuwen waar hij was. Want met zo'n vaart waren zijn vrienden natuurlijk ver achtergebleven. Hij keek naar boven en ontdekte daar, zwevend en cirkelend in de blauwe lucht, Chil, de wouw. Chil floot verbaasd toen Mowgli de wouwroep liet horen: ‘Wij zijn van één bloed, gij en ik. Let op mijn spoor en waarschuw Baloe van de Sionie Horde en Bagheera van de Raadsrots. In naam van Mowgli, de Kikvors, die ook wel het mensenjong wordt genoemd.’ Mowgli gilde de woorden uit.
Chil wist dat de Bandar-log zich wat op de hals had gehaald, want met Baloe en Bagheera viel niet te spotten. Hij wachtte daarom rustig af.

Baloe en Bagheera waren intussen razend van woede en verdriet. Bagheera probeerde de apen te volgen, maar de dunne takken braken onder zijn gewicht. Hij vroeg zich af waarom Baloe Mowgli nooit voor de apen gewaarschuwd had. Baloe sukkelde op zijn onhandige draf verder, maar zo zouden ze de apen nooit inhalen. Ze gingen zitten en dachten na. Opeens had Baloe een idee: ‘Het is waar wat Hathi, de olifant zegt: Ieder dier heeft zijn eigen vrees. De apen van de Bandar-log vrezen Kaa, de tijgerpython. Want hij kan net zo goed klimmen als zij en steelt 's nachts hun jongen. Als zijn naam gefluisterd wordt verstenen ze tot in hun staart.’

Ze gingen verder en vonden Kaa uitgestrekt op een warm plekje in de namiddagzon. De slang had net zijn huid gewisseld en lag zijn nieuwe kleed te bewonderen. Zijn tien meter lange lijf kronkelde in prachtige knopen en bochten. Kaa was geen giftige slang, hij omstrengelde zijn prooi. ‘Goede jacht! Wij zijn op jacht’, zei Baloe langs zijn neus weg, want je moest Kaa voorzichtig benaderen en hem vooral niet opjagen. ‘Mag ik met jullie meegaan’, vroeg Kaa, ‘want ik moet anders dagen liggen wachten op een jong aapje.’ Kaa beklaagde zich over de Bandar-log, die geen enkel respect voor hem hadden getoond. Baloe en Bagheera deden daar nog een schepje bovenop en zagen dat de slang steeds bozer werd. Ze vertelden dat de Bandar-log hun mensenjong had gestolen en dat de apen van heel het junglevolk alleen Kaa vrezen. Kaa voelde zich gestreeld en zei ‘Wij moeten hun er maar eens aan herinneren dat ze wat eerbiediger over hun meesters moeten spreken. Maar waar zijn ze met hem heen?’ ‘Op, op! Kijk op, Baloe van de Sionie Horde’, klonk het uit de lucht. Daar vloog Chil, die het hele gesprek gevolgd had. ‘Ik heb Mowgli bij de Bandar-log gezien. Hij is naar de apenstad over de rivier gebracht, naar de Koele Holen. Dat is mijn boodschap. Ik heb de vleermuizen gezegd te waken als het donker is.’

Zo gingen Baloe en Bagheera met Kaa aan hun zijde op weg naar de Koele Holen, een oude, verlaten koningsstad in de jungle, waar het junglevolk zelden kwam. Al snel werd Baloe moe en raakte achterop. Kaa en Bagheera gingen samen verder, in volle vaart. Hoe hard Bagheera ook rende, de tijgerpython hield hem bij. Bij het vallen van de schemering bereikten ze de Koele Holen.

In de Koele Holen dansten de apen rond en zongen hun gekke liedges. Ze bespraken dat de ontvoering van Mowgli een keerpunt in hun geschiedenis kon betekenen, want hij zou hun van alles kunnen leren. Mowgli begreep dat hij in een slecht oord was beland en probeerde te vluchten. Maar hij was slaperig, gekneusd en ziek van de honger. De apen trokken hem van de stadsmuur af en dwongen hem te luisteren naar de tientallen apen, die een lofzang hielden over de Bandar-log. De apen verzamelden zich met honderden eromheen om te luisteren naar hun eigen sprekers. Mowgli vroeg zich af of de apen nooit gingen slapen, want dan kon hij proberen in de duisternis te ontsnappen. Maar hij was zo moe!

Intussen bespraken ook Kaa en Bagheera wat ze moesten doen. Want ze wisten hoe gevaarlijk grote benden van het Apenvolk zijn en wilden geen enkel risico nemen. ‘Ik ga naar de westelijke muur, de hellende bodem daar is in mijn voordeel’, fluisterde Kaa en gleed weg. Bagheera rende de helling op en sprong op het terras van het paleis, tussen de apen die rond Mowgli zaten. Hij sloeg er op los, maar struikelde en een kluwen van vechtende en bijtende apen sloot zich over hem. Vijf, zes apen grepen Mowgli en gooiden hem door de dakkoepel van een marmeren zomerhuisje. Mowgli viel wel vijf meter, maar gelukkig had hij geleerd hoe hij moest vallen om op zijn voeten terecht te komen. ‘Blijf daar’, riepen de apen, ‘en kijk uit dat het Gifvolk je niet bijt.’ ‘Wij zijn van één bloed, gij en ik’, siste Mowgli vlug. ‘Blijf stil staan, anders verpletter je ons met je voeten’, antwoordde een cobra. Mowgli kon door het beeldhouwwerk in de muur het gevecht volgen.

Hij zag hoe Bagheera vocht voor zijn leven. Hij riep naar hem, waardoor de panter nieuwe moed kreeg. Opeens klonk van achter de muur, bij de jungle, de rommelende strijdkreet van Baloe. Hij kwam het terras op en verdween direct onder een golf van apen. Maar ook Baloe sloeg erop los en verpletterde zoveel apen als hij kon. Bagheera sprong in een reservoir met water om aan de apen te ontkomen en vroeg zich af waar de slang bleef. Intussen vloog Mang, de vleermuis, af en aan om het nieuws van de grote slag over te brengen naar de jungle, tot zelfs Hathi, de olifant, trompetterde en ver weg apenbenden gewekt werden die hun kameraden te hulp snelden. Mijlenver rond de Koele Holen werd de jungle wakker.

Toen kwam opeens Kaa recht en snel aangegleden. Hij stootte met zijn enorme kop als een stormram van een halve ton in de kluwen apen rond Baloe. Een tweede stoot was niet meer nodig. De kluwen van apen spatte uiteen. ‘Kaa! Vlucht, het is Kaa!’, klonk het overal, want Kaa was alles wat de apen vreesden. En zo, sidderend van angst, vluchtten ze weg. Kaa deed zijn bek open en sprak een lang, sissend woord. De apen op de muren en de huizen waren stil. Ze klommen hogerop en begonnen weer te krijsen. Maar Kaa siste opnieuw en weer werd het stil in de stad. Baloe en Bagheera waren zwaar gehavend door de strijd. Kaa beukte met zijn kop de muren in van het huisje waarin Mowgli gevangen zat. Mowgli sloeg zijn armen om de nek van de panter en de beer. Mowgli bedankte Kaa, die met zijn grote kop boven hem heen en weer wiegde.

Terwijl Kaa aan zijn geheimzinnige Hongerdans begon, wekte Mowgli Baloe en Bagheera uit zijn doordringende hypnose, om terug naar de jungle te gaan. Vele apen wisten niet aan Kaa's betovering te ontsnappen. Even buiten de Koele Holen kreeg Mowgli als straf een aantal klappen, want zo was de Wet van de Jungle. Na deze afstraffing niesde Mowgli eens en zonder een woord te zeggen stond hij op. ‘Spring nou maar op mijn rug, broertje’, zei Bagheera, ‘we gaan naar huis.’ Want één van de mooie dingen uit de Wet van de Jungle is, dat wie gestraft is, geen schuld meer heeft. Men komt er later nooit meer op terug.

"Tijger-Tijger!"
Dit verhaal gaat verder waar het verhaal over De Rode Bloem (De broeders van Mowgli) stopt. Mowgli is dan ongeveer twaalf jaar oud.

Na het gevecht met de de horde op de Raadsrots verliet Mowgli het wolvenhol. Hij daalde de heuvels af naar de bebouwde velden, waar de dorpelingen woonden. Maar daar bleef hij niet, omdat het te dicht bij de jungle was. Hij wist dat in de jungle één doodsvijand van hem was; Shere Kahn. Daarom liep hij snel over de hobbelige weg, die naar het dal leidde. Hij kwam in een streek die hij niet kende. Het dal werd een grote vlakte, bedekt met rotsen en doorsneden met ravijnen. Aan de ene kant lag een dorpje en aan de andere kant daalde de jungle tot aan de weilanden en hield dan plotseling op. Overal in de vlakte graasden koeien en buffels. Toen de kleine jongens die de wacht hielden bij de kudde Mowgli zagen, begonnen ze te schreeuwen en renden hard weg. De gele pariahonden, die rond elk Indiaas dorp hangen, blaften luid. Mowgli liep verder, want hij had honger. Toen hij bij de poort van het dorp kwam, zag hij dat de dichte doornstruiken, die er 's nachts voor werden geschoven, maar een klein kiertje open lieten.

‘Hm!’ zei Mowgli, ‘de mensen zijn hier dus ook bang voor het junglevolk.’ Want op zijn nachtelijke zwerftochten was hij al meer van die barricades tegengekomen. Hij ging bij de poort zitten. Toen er een man naar buiten kwam, stond hij op, deed zijn mond open en wees er met zijn vinger in om te zeggen dat hij honger had. De man schrok enorm en rende de dorpsstraat in, roepend om een priester. Even later kwam de priester, gevolgd door wel honderd mensen, tot bij de poort. De mensen praatten en riepen en wezen naar Mowgli. ‘Het heeft geen manieren, dit mensenvolk’, dacht Mowgli. ‘Alleen de apen zouden zich gedragen zoals zij.’ ‘Daar hoeft niemand bang voor te zijn!’ zei de priester. ‘Kijk naar die littekens op armen en benen. Dat zijn beten van wolven. Het is een wolfskind dat uit de jungle is weggelopen.’ Maar Mowgli wist wel beter, hij wist wat echt bijten betekende!

Toen meende Messoea, de vrouw van de rijkste man uit het dorp, in Mowgli's ogen haar zoon Nathoe te herkennen. Deze was als kleine jongen door een tijger weggeroofd. Messoea nam Mowgli mee naar haar hut. Ze gaf hem brood en melk. ‘Nathoe, o Nathoe!’, zei ze. Maar Mowgli liet niet merken of hij de naam verstond. Hij vroeg zich af welk voordeel het had een mens te zijn, omdat hij de taal van de mensen niet kon verstaan. Hij moest hun taal kennen. Daarom zei hij alle geluiden die Messoea maakte na. En aan het eind van de dag had hij al heel wat woorden geleerd.

Mowgli was het niet gewend een dak boven zijn hoofd te hebben. Het deed hem denken aan een panterval. Ook wilde hij niet slapen in een bed. Toen ’s avonds de deur van de hut werd gesloten, sprong Mowgli door het raam naar buiten. Buiten de omheining van het dorp ging hij liggen slapen. Opeens voelde hij de snuit van Grijsbroer in zijn gezicht. Grijsbroer was de oudste van de jongen van Moeder Wolf. Hij had het spoor van Mowgli twintig mijl gevolgd en kwam hem vertellen dat de geschroeide Shere Kahn had gezworen Mowgli te doden en in de Waingoenga te gooien. Mowgli maakte met Grijsbroer de afspraak dat deze hem op de hoogte zou houden van al het nieuws uit de jungle.

Drie maanden bleef Mowgli in het dorp. Hij leerde de gebruiken en gewoontes van de mensen, al zag hij lang niet overal het nut van in. Vergeleken bij de mensen in het dorp was hij zo sterk als een stier. Doordat hij niet besefte dat de mensen rangen en standen kenden, zorgde hij voor schandalen, die door de man van Messoea met veel geld bij de priester werden afgekocht. Daarom werd hij aangesteld als buffelhoeder, waar hij erg blij mee was. 's Avonds zat hij met de dorpelingen onder een grote vijgeboom en hoorde de verhalen van Buldeo, de dorpsjager, aan. Veel van die verhalen gingen over de dieren uit de jungle. Mowgli hoorde ze aan, maar wist dat de meeste verhalen verzonnen waren. Toen Buldeo Shere Kahn een spooktijger noemde, vroeg Mowgli hem of al zijn verhalen zulke verzinsels waren.

De volgende morgen reed Mowgli op de rug van Rama, de grote stier, naar de weiden. Hij vertelde de andere jongens bij de kudde koeien te blijven. Want hij wist dat zelfs een tijger nooit een kudde zal aanvallen. Zelf trok hij met de buffels naar de rand van de vlakte, naar het bamboebos waar hij met Grijsbroer had afgesproken. Hij vroeg of er nieuws was over Shere Kahn. Grijsbroer vertelde dat de tijger weer weg was, omdat hier te weinig buit was. Maar hij zou terugkomen om Mowgli te doden. Mowgli maakte met Grijsbroer de afspraak dat deze in het ravijn bij de dhâk-boom in het midden van de vlakte op hem zou wachten, zodra de tijger terug was. Tot die dag zou Grijsbroer of een ander van zijn vier broeders op de rots bij het bamboebos zitten.

Dag na dag ging voorbij en leidde Mowgli de buffels naar hun poelen. En al die tijd zag hij Grijsbroer op de rots zitten, waardoor hij wist dat Shere Kahn nog niet was teruggekeerd. Maar op een dag zag hij Grijsbroer niet op zijn vaste post. Hij leidde de buffels naar het ravijn bij de met oranje bloemen bedekte dhâk-boom. Daar vond hij Grijsbroer, met alle haren overeind. Die vertelde dat Shere Kahn samen met de geslepen Tabaqui het spoor van Mowgli had gevolgd. Grijsbroer vertelde dat hij Tabaqui had gedood, maar pas nadat die hem had verteld wat de tijger van plan was. Shere Kahn wilde Mowgli 's avonds opwachten bij de dorpspoort. Hij lag nu te slapen in het grote ravijn van de Waingoenga, nadat hij een zwijn had gedood en opgegeten. Ook had hij uitgebreid gedronken. En dat had hij beter niet kunnen doen...

Mowgli had al snel een plan. Hij wilde de buffels door het ravijn leiden, maar om te voorkomen dat de tijger door het andere eind zou ontsnappen, moest de kudde in tweeën worden gesplitst. Hij vroeg aan Grijsbroer of die dat kon. Plots klonk uit een kuil de wanhopigste kreet van heel de Jungle: het jachtgehuil van een wolf in de middag. Daar zag Mowgli de grote grijze kop van Akela. Mowgli vroeg hem de kudde buffels in tweeën te splitsen en dat gebeurde; Akela dreef de koeien en kalveren naar de ene kant en de stieren naar de andere. Al leken stieren imposanter, de koeien waren gevaarlijker, want zij hadden hun kalveren te verdedigen.

Mowgli sprong op de rug van Rama, die gek was van razernij. Samen met Akela dreef hij de buffels in een grote bocht de heuvels op tot voor de ingang van het ravijn. Ze mochten niet te dicht bij de kloof komen, want dan kon Shere Kahn wakker worden van het lawaai. Intussen rende Grijsbroer voor de koeien uit naar de andere kant van het ravijn. Mowgli dreef de kudde bijeen op een grasveld dat stijl naar de ingang van het ravijn afliep. Hij overzag het ravijn en zag dat de wanden bijna loodrecht oprezen. En hij wist dat de tijger na zijn uitgebreide maaltijd niet in staat was te vechten of tegen de wanden van het ravijn op te klimmen.

Nadat de kudde op adem was gekomen, schreeuwde Mowgli naar Shere Kahn. De tijger vroeg wie daar was. ‘Ik ben het, Mowgli’, riep Mowgli, ‘veedief, het is tijd om naar de Raadsrots te komen!’ En hij joeg de kudde naar beneden, het ravijn in, als een vloedgolf die onmogelijk te stoppen was. Opeens rook Rama Shere Kahn en hij loeide luid, want hij wist dat geen enkele tijger tegen de geweldige stormloop van een kudde buffels stand kon houden. Shere Kahn stond op, keek links en rechts en zocht een weg om te ontsnappen. Hij zag de steile wanden en rende weg. Toen hij de kudde koeien van de andere kant zag komen, maakte hij rechtsomkeert. Want hij kon het nog beter tegen de buffels opnemen. Opeens struikelde Rama over iets zachts en op hetzelfde moment drongen de kuddes in elkaar. Mowgli wachtte op een goed moment en gleed van Rama's rug. Samen met Akela bracht hij de kuddes tot stilstand. Hij wist Rama te keren en vond Shere Kahn, die vertrapt op de grond lag. Mowgli pakte zijn mes, dat hij bij zich droeg sinds hij bij de mensen leefde, en begon de drie meter lange tijger te villen. De wolven hielpen hem daarbij.

Plotseling voelde Mowgli een hand op zijn schouder. Het was Buldeo, de jager, die door de andere veehoeders was gewaarschuwd. Hij eiste de huid van de lamme tijger, waarop een premie van honderd roepia's stond. Maar na een woord van Mowgli sprong Akela bovenop hem en Mowgli ging verder met villen alsof hij de jager niet had gezien. Buldeo was erg geschrokken van Akela, die Mowgli gehoorzaamde, en dacht dat de jongen kon toveren. Hij deed opeens erg nederig en vroeg of hij mocht gaan. Buldeo ging snel terug naar het dorp. Toen Mowgli daar later met Akela en de buffels aankwam werd hij met stenen en kogels onthaald. Want Buldeo had de dorpelingen verteld dat hij een tovenaar was. Alleen Messoea kwam huilend naar Mowgli gelopen. Mowgli stuurde haar terug, maar vertelde haar dat hij geen tovenaar was en waarschuwde haar voor de dwaze verhalen van Buldeo. Daarna stuurde hij de kudde het dorp in, waardoor de mensen uit elkaar stoven. Even later zagen de dorpelingen Mowgli, met twee wolven achter zich en de huid van Shere Kahn op het hoofd, in het maanlicht op een draf naar de jungle lopen.

Bij het ondergaan van de maan kwamen Mowgli en zijn twee metgezellen bij de heuvel van de Raadsrots en het hol van Moeder Wolf. Hij vertelde haar dat hij uit de horde van de mensen was gestoten, maar dat hij woord had gehouden en de huid van Shere Kahn bij zich had. Samen met Bagheera spreidde hij de huid uit over de Raadsrots, waarna Akela erop ging liggen. Hij riep ‘Kijk goed toe, o wolven, kijk goed’, precies zoals hij riep toen Mowgli bij de horde kwam. Uit gewoonte beantwoordden alle wolven de roep, ook degenen die zich eerder tegen Akela en Mowgli verzet hadden. Zij kwamen naar de Raadsrots en zagen de gestreepte huid van Shere Kahn, waarna zij Akela vroegen hen weer te leiden. Want zij waren de wetteloosheid en wanorde in de horde beu. Maar Bagheera geloofde hen niet en stuurde hen de jungle in. Mowgli ging de jungle in en jaagde er vanaf die dag met zijn vier broeders, tot hij een man was en zou trouwen.

Het Tweede Jungleboek

Hoe de vrees in de wereld kwam
Dit verhaal speelt zich af vóór "Tijger-tijger!".

De Wet van de Jungle is verreweg de oudste wet van de wereld is nu zo volmaakt dat hij bijna alles regelt wat het Junglevolk kan treffen. Baloe, de onderwijzer van de Wet, had Mowli tijdens zijn lessen al verteld dat de hele jungle gehoorzaamt aan één Wet. En dat zou geen plezierige ontdekking zijn. Het interesseerde Mowgli niet. Maar volgens Baloe zou Mowgli als hij zo oud was als Baloe, ontdekken dat het waar was. En op een dag was het zover.

Het begon toen de winterregens bijna helemaal wegbleven. Sahi, het stekelvarken, vertelde Mowgli dat de wilde broodwortel aan het verdorren was. Mowgli lachte hem uit, want de hele jungle wist hoe kieskeurig Sahi was. Maar Sahi vroeg Mowgli ook of hij nog kon onderduiken in de diepe poel onder de Bijenrotsen. Maar het water was gezakt, dus dat kon niet meer. Baloe begon zich zorgen te maken en wilde wel van jachtgebied veranderen. Maar hij was niet alleen en wilde bij Mowgli blijven. De volgende lente bloeide de mohwa, de bloem die Baloe zo mooi vond, helemaal niet. Langzaam maar zeker kroop de hitte de jungle in. Alles verdorde, werd bruin en tenslotte zwart. De poelen vielen droog. Vroeg in het jaar waren de vogels en het Apenvolk naar het noorden weggetrokken, want zij wisten wat er zou komen. De rest van alle dieren in de jungle waren vel over been geworden en Bagheera moest iedere nacht wel drie keer gaan jagen, als hij zijn maag één keer een beetje gevuld wilde hebben.

Maar het ergste was het gebrek aan water. Op het laatst stroomde er alleen nog maar water in de Waingoenga. Toen Hathi, de olifant die al meer dan 100 jaar oud was, op een dag in het midden van de rivier een lange, smalle blauwe rots zag uitsteken, wist hij meteen dat het de Vredesrots was. Hij stak direct zijn slurf in de lucht en riep de Watervrede uit, zoals ook zijn vader had gedaan. De dieren die het hoorden namen de kreet over en Chil, de wouw, vloog in grote kringen over de jungle en schreeuwde de boodschap uit. Als de Watervrede is uitgeroepen, betekent dat dat alle dieren mogen drinken van het overgebleven water en dat er tijdens het drinken niet gejaagd mag worden.

Na het uitroepen van de Watervrede kwamen alle dieren uitgeput en mager naar de rivier: beer, hert, buffel, everzwijn; allemaal dronken ze naast elkaar van het modderige water. Ook Mowgli kwam er ’s nachts naar toe om koelte te zoeken. Hij zag er nog magerder en ellendiger uit dan de rest, omdat hij geen vacht had zoals de dieren. Aan de oever stond Hathi, de bewaker van de Watervrede, in het gezelschap van zijn zoons. Bagheera, die inmiddels schildpadden en kikkers at, keek rond en zei ‘Wij staan inderdaad onder één Wet.’ Iedereen vroeg zich af of de droogte ooit voorbij zou gaan.

Op een avond kwam ook Shere Kahn naar het water. Hij genoot van de opschudding die hij bij de herten veroorzaakte en begon te drinken. Het water rond zijn kop werd rood en Bagheera vroeg Shere Kahn wat hij had gedaan. Shere Kahn vertelde hem koeltjes dat hij een uur geleden een mens had gedood. Bagheera vroeg hem of er dan helemaal geen ander wild was geweest waarop de tijger had kunnen jagen. Maar Shere Kahn zei dat hij het voor zijn plezier had gedaan. Toen vond Hathi dat het tijd was geworden om zich ermee te bemoeien. Hij vroeg aan Shere Kahn: ‘Je hebt gedood, alleen voor je genoegen?’ En Shere Kahn zei ‘Ja, het was ook mijn recht en mijn nacht!’ Hathi zei dat hij dat wist en stuurde hem, recht of geen recht, naar zijn hol. De tijger sloop weg. Toen Mowgli genoeg moed verzameld had om Hathi aan te spreken, vroeg hij hem wat dat recht van Shere Kahn dan wel was. Hathi vertelde dat het een oude geschiedenis was, nog ouder dan de jungle. Als iedereen langs de oever stil was, zou hij het vertellen.

‘Jullie weten dat je van alle wezens de mens het meest moet vrezen. Maar jullie weten niet waarom. Ik zal het jullie vertellen.
In het begin van de Jungle leefden alle dieren samen, zonder bang te zijn voor elkaar. In die tijd was er geen droogte en overal groeiden bladeren, bloemen en vruchten. En alle dieren aten alleen bladeren, bloemen, gras, vruchten en boomschors. De heer van de Jungle was Tha, de eerste der olifanten. Hij trok met zijn slurf de Jungle uit het diepe water. Waar hij met zijn slagtanden door de aarde ging, stroomden rivieren. En waar hij met zijn poot stampte, kwam een poel vol zuiver water. Als hij door zijn slurf blies, vielen de bomen. Zo werd de Jungle geschapen door Tha.
Tha had het druk met nieuwe jungles te maken en omdat hij niet overal tegelijk kon zijn, benoemde hij de eerste der tijgers tot meester en rechter van de jungle. In die tijd at de eerste der tijgers ook vruchten en gras, net als de andere dieren. En zijn huid was prachtig geel, zonder één enkele vlek of streep. In die tijd, toen de Jungle nog jong was, was zijn woord de Wet voor de Jungle.
Maar op een nacht hadden twee reebokken ruzie over hun gebied. Ze kwamen een beetje ruziënd bij de eerste der tijgers. Terwijl zij spraken stootte één van de reebokken per ongeluk met zijn hoorns tegen de eerste der tijgers. Die werd zo kwaad, dat hij vergat dat hij de rechter van de Jungle was. Hij sprong op de bok af en brak hem de nek.
Daarvoor was nog nooit een dier doodgegaan en de eerste der tijgers zag wat hij had gedaan. Hij werd gek van het bloed en vluchtte naar de moerassen in het noorden. De dieren van de Jungle hadden geen rechter meer en begonnen met elkaar te vechten. Tha hoorde al die herrie en kwam terug om te kijken wat er aan de hand was. Hij zag de dode reebok en vroeg wie hem gedood had. Maar de dieren waren verdwaasd en niemand kon het vertellen. Toen gaf Tha de lage boomtakken en de slingerplanten de opdracht om de bokkendoder te merken met afdrukken, zodat hij de dader kon herkennen. Hij vroeg wie de nieuwe meester van de Jungle moest worden. De grijze aap wilde dat wel doen. Tha moest er wel om lachen, maar hij vond het goed en ging weg.
De grijze aap trok in het begin wel een wijs gezicht, maar hij vergat al snel dat hij de meester van de Jungle was. Toen Tha terugkwam hoorde hij alleen nog maar gekkenpraat. Er was geen Wet meer in de Jungle. Hij riep alle dieren bij elkaar en zei dat eerst de dood en nu ook de schande in de jungle was gekomen. Het werd tijd dat er een nieuwe Wet kwam en dat de dieren daarom ook de Vrees zouden leren kennen. De dieren wisten niet wat de Vrees was en gingen op zoek. De buffels vonden de Vrees in een grot: een haarloos wezen, dat op zijn achterpoten liep en schreeuwde naar de dieren. Het geluid vulde de dieren met de vrees, die zij nu nog kennen. Vanaf die nacht lagen niet alle dieren meer bij elkaar, maar elke soort trok samen weg en lag bevend van angst in de Jungle.
Toen de eerste der tijgers van de Vrees hoorde, zocht hij hem op om hem te doden. Maar overal waar hij rende, streken de bomen en planten langs zijn vel en kwamen er strepen en tekens op zijn gele huid. En zijn kinderen dragen die strepen nu nog! Toen hij bij de grot van de Vrees kwam noemde die Haarloze hem: 'de gestreepte die bij nacht komt'. De eerste der tijgers werd bang en vluchtte luid brullend weg. Aan Tha, die hem had gehoord, vroeg hij hem zijn macht terug te geven. Maar Tha had de strepen op zijn huid gezien en wist dat hij de reebok had gedood. Tha wilde hem echter niet te hard vallen en gaf hem gedurende één nacht per jaar zijn macht terug. Als hij tijdens die nacht de Haarloze, dus een mens, zou tegenkomen, zou hij niet bang zijn, maar de mens wel voor hem. Tha vroeg de eerste der tijgers dan wel barmhartig te zijn.
Na een jaar kwam de nacht voor de eerste der tijgers en hij ging naar de grot van de Haarloze. Daar gebeurde wat Tha had beloofd: de Haarloze was bang voor hem en viel plat op de grond. De tijger doodde de mens, want hij dacht dat er maar één zo'n wezen bestond en dat hij nu de Vrees had gedood. Maar uit de grot kwam een ander haarloos wezen. Hij zag het lijk op de grond liggen met de tijger erboven en nam een puntige stok als wapen. Tha voorspelde dat de Junglevolkeren de tijger vanaf die nacht zouden vrezen, omdat hij de mens geen barmhartigheid had getoond en had geleerd hoe hij doden moest. En zo gebeurde het. Gedurende één nacht per jaar vreest de mens de tijger. Maar de rest van de tijd heerst de vrees in de Jungle, overdag en 's nachts. Alleen de tijgers en de olifanten kennen deze geschiedenis. En nu hebben ook jullie, de dieren die tijdens de Watervrede bij de Waingoenga komen drinken, haar gehoord.’

Zo besloot Hathi zijn verhaal.

De Jungle lijft in
Dit verhaal gaat verder op het punt waar "Tijger-Tijger!" ophoudt.

Nadat Mowgli de huid van Shere Kahn op de raadsrots had vastgepend, ging hij eerst een dag en een nacht slapen. Daarna vertelde hij Vader en Moeder wolf zijn avonturen bij de mensen. Akela en Grijsbroer vertelden van de buffelaanval in het ravijn. Baloe en Bagheera waren ook gekomen om alle verhalen te horen. Onder het vertellen stak Moeder Wolf van tijd tot tijd haar neus eens omhoog om de reuk van de tijgerhuid op de raadsrots op te snuiven. Akela vroeg zich af of de mensen Mowgli met rust zouden laten, want volgens Mang, de vleermuis, zoemde het mensendorp als een wespennest.

Opeens sprong Bagheera op, stak zijn kop zo hoog mogelijk in de lucht en snoof. Grijsbroer en Akela volgden meteen zijn voorbeeld. Mowgli maakte zijn vinger nat, wreef ermee onder zijn neus en ging rechtop zitten, om in de wind het spoor te vinden. ‘Mensen’, gromde Akela. ‘Buldeo!’, wist Mowgli, ‘hij volgt ons spoor.’ Onhoorbaar slopen Mowgli, Bagheera en zijn vier broeders, de jonge wolven, naar de oude jager om te kijken wat die ging doen. Buldeo mopperde wat en Mowgli vertaalde dit voor zijn broeders. Er kwamen een paar houtskoolbranders over het pad, die een praatje maakten met Buldeo. Hij vertelde ze de geschiedenis van Mowgli en over de dood van Shere Kahn en fantaseerde er van alles bij. Hij, Buldeo de grote jager, was nu op weg om Mowgli te doden. Wanneer hij terugkwam, zouden Messoea en haar man, die nu vastgebonden in hun eigen hut lagen, als tovenaars levend worden verbrand.

Mowgli vertaalde alles wat hij hoorde en wat hij zelf kon begrijpen voor de wolven. Hij wist dat hij Messoea en haar man moest helpen. Daarom vroeg hij de wolven om voor de jager en de houtskoolbranders te 'zingen' en ze zo lang mogelijk op te houden. Al snel klonk door de jungle het onheilspellende gehuil van de vier wolven, die het prachtige Ochtendlied van de Jungle zongen. Ook Bagheera deed mee. Het leek alsof de hele horde meezong. Buldeo en de houtskoolbrander reageerden verschrikt en klommen in de bomen.

Intussen rende Mowgli op een draf naar het mensendorp, om te kijken wat hij kon doen voor Messoea en haar man. Het werd al schemerig toen hij bij het dorp aankwam. Er zaten een paar mannen voor de deur van Messoea’s huisje, maar Mowgli klom door het raam naar binnen, sneed snel de leren riemen door waarmee de man en vrouw waren vastgebonden en haalde de proppen uit hun mond. Hij kon nog net op tijd zijn hand voor Messoea's mond houden, die het uit wilde schreeuwen van de pijn. Dankbaar omhelsde Messoea Mowgli, die daardoor over zijn hele lichaam begon te beven. Al wist hij niet hoe dat kwam. Even later hoorde Mowgli hoe Buldeo helemaal overstuur terugkwam in het dorp en zijn belevenissen en leugens vertelde aan de dorpelingen. Opeens voelde Mowgli verrast dat hij werd aangeraakt door Moeder Wolf. Zij was hem gevolgd om met Messoea kennis te maken, maar Mowgli vond het beter dat zij zich niet aan haar liet zien. Moeder Wolf bood aan Messoea en haar man te beschermen tijdens hun tocht naar Khanhiwara, waar de Engelsen leefden. Mowgli vertelde Messoea dat ze de hele weg door de angstaanjagende jungle een wacht rond zich zouden hebben, zodat ze nergens bang voor hoefden te zijn. Messoea geloofde hem en zij en haar man gingen op pad.

Toen dook opeens Bagheera vlak voor Mowgli op. Hij sprong als een jong katje, spinde en bromde en danste met zijn schaduw om te laten zien hoe strijdlustig hij was geworden. De prikkelende geuren van de nacht, die rond ieder Indiaas dorp hangen, werkten op hem als muziek op de mens. Bagheera bedacht dat de mensen hun huis voorlopig niet meer uit zouden durven, als ze kwamen om Messoea en haar man te halen en in plaats daarvan een panter in de hut zagen liggen. En zo gebeurde het ook. Al snel kwamen de dorpelingen wild schreeuwend aangerend, met knuppels, sikkels en messen in hun handen. Maar toen ze de hut instormden lag daar, met gekruiste klauwen, zwart als de nacht en in zijn volle lengte uitgestrekt, Bagheera. Die had dit moment afgewacht om eens uitgebreid en zorgvuldig te geeuwen. Toen zijn kaken dichtsloegen met het geluid van een kluisdeur was de hele straat al leeg. In het dorp verdrong de mensenvloed zich om in paniek de hutten in te vluchten, waarna zware graankisten voor de deuren werden schoven.

Mowgli rende de Jungle in om te gaan slapen. In de avond van de volgende dag werd hij wakker, waarna Bagheera hem vertelde dat de man en de vrouw veilig in Khanhiwara waren aangekomen. De mensenhorde in het dorp had geen kik meer gegeven en durfde pas wat voedsel van het veld te halen toen de zon al hoog aan de hemel stond. De mensen haastten zich daarna weer snel naar huis, waarschijnlijk door het 'liedje' dat hij, de panter, had gezongen toen hij zich voor de dorpspoort door het stof rolde. Op dat moment kreeg Mowgli een plan om de mensen te laten boeten voor wat ze Messoea en haar man hadden aangedaan. Hij vroeg aan Bagheera Hathi en zijn drie zoons bij hem te roepen. Bagheera deed het en verwonderde zich erover dat Hathi, de Meester van de Jungle, Mowgli gehoorzaamde alsof hij een os was. Mowgli vroeg Hathi en zijn zoons om de velden te plunderen en de Jungle op het dorp los te laten, net zoals zij dat lang geleden op de velden van Bharatpoer had gedaan. Toen wilden zij zich wreken, omdat Hathi in een valkuil was gelopen en zich aan een puntige staak had verwond. Vijf dorpen en hun velden en weilanden werden toen geplunderd door de woedende olifanten. En in die dorpen, die door de Jungle werden ingelijfd, woont nu nog steeds geen mens. Mowgli wilde alleen niet dat er nu mensen gedood zouden worden, ze moesten alleen worden weggejaagd. Bagheera beefde, want hij begreep nu waarom Mowgli de olifanten had laten halen.

Hathi begreep Mowgli en ging akkoord. Hij liep met zijn zoons de valleien in, ieder een andere kant op. Zo liepen zij twee dagmarsen lang - dat is wel honderd kilometer - en daarna begonnen zij rustig te grazen. Want olifanten haasten zich nooit. Ondertussen ging het gerucht door de jungle dat je veel beter eten en drinken kon vinden in een bepaalde vallei. De herten, everzwijnen, wilde vossen, nijlgau's en wilde buffels kwamen overal vandaan en graasden in een grote cirkel rond het dorp. Steeds als er gevaar dreigde werden ze wel door Sahi het stekelvarken, Mang de vleermuis of Baloe gerustgesteld. Na een dag of tien verschenen de vleeseters aan de rand van de cirkel. De vluchtende dieren vertrapten de hele oogst op de akkers. Op één punt ging de kring van vleeseters open, waardoor er een pad naar het zuiden vrijkwam en de dieren uit de cirkel weg konden vluchten.

Toen de dorpelingen ’s morgens naar buiten keken, zagen ze dat de hele oogst verloren was. Dat zou de dood betekenen als ze niet snel verhuisden, want anders zou er hongersnood zijn. Eerst aarzelden ze nog en bleven, om te leven van de voorraad van de graankoopman. Maar Hathi beschadigde met zijn slagtanden af en toe wat huizen en stootte zo ook de graanvoorraad om, die daardoor verloren ging. Ook de brahmaan had de goden aangeroepen en wist dat hoe eerder de mensen zich in veiligheid zouden brengen, hoe beter het zou zijn. Maar het was een moeilijke beslissing en de mensen bleven zolang hun schamele voorraden restten. En hoe meer zij zich in hun dorp opsloten, hoe brutaler de dieren uit de Jungle werden. Alles wat werd hersteld, werd snel daarna alweer vernield. Zo veroverden de dieren en planten steeds meer grond. Pas toen de regens begonnen en de verwaarloosde daken aan alle kanten lekten, trokken de mensen weg. Ze keken nog een keer om naar de plaats waar ze hadden gewoond en zagen Hathi de huisdaken losplukken, alsof het waterlelies waren. Hij bezeerde zich aan een balk en de woedende wilde olifant beukte samen met zijn zoons de ringmuur om het dorp, de hutten en de schuren neer. Net zoals bij de plundering van de velden van Bharatpoer. Toen vluchtten de mensen, zonder huis en zonder eten, naar beneden in de vallei, terwijl hun vernielde dorp in de stromende regen wegsmolt. Een maand later was het dorp alleen nog maar een gerimpeld heuveltje met mals, sappig gras. En tegen het einde van de regentijd was het Jungleleven in volle gang op de plek die zes maanden daarvoor nog door mensen bewoond was.

's Konings ankus (moet nog worden uitgewerkt)
Kaa, de grote pythonslang, had misschien voor de tweehonderdste keer sinds zijn geboorte zijn huid vernieuwd. Mowgli, die nooit vergat dat hij in die nacht in de Koele Holen aan Kaa het leven te danken had, ging hem gelukwensen. Het wisselen van huid maakt de slang altijd knorrig en gedrukt, tot de nieuwe huid mooi en glanzend begint te worden. Kaa dreef nooit meer de spot met Mowgli, maar erkende hem, zoals ook alle andere dieren dat deden. Hij deelde hem al het nieuws mee, dat hij hoorde en wist van het leven vlak op of onder de grond, in de holen en op de boomstammen.
Die middag zat Mowgli in de kronkels van Kaa’s lichaam. ‘Vreemd’, zei Mowgli, ‘om zo je eigen huid in de zon voor je voeten te zien liggen.’ ‘Ho, ho, ik heb geen voeten’, zei Kaa, ‘en daar het de gewoonte van al mijn soortgenoten is, vind ik er niets bijzonders aan. Voelt jouw huid dan nooit eens oud en ruw aan?’ ‘Dan was ik me toch, platkop’, lachte Mowgli, ‘maar ik geef toe, dat als het erg warm is, ik wel eens zin heb om mijn huid zonder pijn te kunnen uittrekken.’ ‘Ik was me en toch leg ik mijn huid nog eens af’, zei Kaa. ‘Hoe ziet mijn jas eruit?’ Mowgli keek eens kritisch en zei toen: ‘De schildpad heeft een hardere rug, maar niet zo’n mooie, vrolijk gekleurde. Maar zij heeft water nodig. Een nieuwe huid krijgt nooit haar mooiste kleur, vóór het eerste bad. Laten we gaan baden.’ Er volgde een stoeipartij in het water, maar zoals gewoonlijk moest Mowgli het tegen de oersterke en aalvlugge slang opgeven. Ze lagen hierna samen uit te blazen en genoten van het koele water. Een haastige cobra gleed langs de rots naar beneden, dronk, riep hen goede jacht toe en ging weer weg. Plotseling herinnerde Kaa zich, dat hij een tijdje geleden gejaagd had in de Koele Holen. Hij had daar een prooi achterna gezeten, die wegvluchtte in een hol dat zeer ver doorliep. Nadat het dier was gedood, ging Kaa verder onder de grond en kwam in een grot waar een cobra lag met robijnrode ogen en geheel verbleekt. Kaa had met de cobra gepraat en hem verteld over het mensenjong. Het was lang geleden dat de cobra een mens had gezien en daarom had hij Kaa gevraagd met het mensenjong te komen. Mowgli snapte, wat de bedoeling was en samen besloten ze de cobra te gaan opzoeken. In het midden van het vertrek lag de cobra, de grootste die Mowgli ooit had gezien, drie meter lang en geheel verbleekt. ‘Wat voor nieuws is er uit de grote, ommuurde stad?’, vroeg de cobra. ‘De stad van honderd olifanten en twintigduizend paarden en runderen.’ ‘Er is niets dan jungle boven onze hoofden’, antwoordde Mowgli. De witte cobra keek verontwaardigd en begon toen een verward verhaal over een stad met families en moeilijke namen. De schatten van al die mensen met de moeilijke namen zouden in het hol opgeborgen zijn en de witte cobra was de bewaker. En omdat Mowgli in de ogen van de witte cobra een mens was, was hij een indringer. Het werd nog erger, toen zowel Kaa als Mowgli bleven beweren dat er van een stad geen sprake was, maar dat er boven het hol alleen maar jungle was. ‘Als dat zo is’, sprak de cobra, ‘dan mag je van al deze schatten iets meenemen.’ Mowgli keek rond en haalde onder de gouden bergen een ankus vandaan, een twee meter lange stok met robijnen en turkooizen bezet, die olifantendrijvers gebruikten om hun kuddes op te jagen. ‘Kijk eens voor je voeten’, zei de cobra toen. ‘Wat ligt daar?’ Mowgli raapte een mensenschedel op.

‘Die wilde ook de schatten meenemen, maar hij kwam niet ver’, vertelde de cobra. Toen mengde Kaa zich in het gesprek. ‘Ik heb Mowgli voor jou meegenomen. Ik kan niet in de jungle terugkeren en zeggen dat ik Mowgli de dood heb ingeleid.’ Mowgli liep al heen en weer in het hol met de cobra achter zich aan. Plotseling slingerde Mowgli het zware ankus van zich af, het viel dwars achter de kop van de cobra en pende haar vast aan de grond. Mowgli opende de bek van het giftige dier. Maar de giftand was uitgedroogd. Het dier was dus helemaal niet zo gevaarlijk als er wel gedacht werd. Mowgli en Kaa verlieten het hol en namen het ankus mee. ‘Lang zal je het niet behouden en ook hij die het van je wegneemt niet. Zij zullen doden en doden’, riep de cobra hen na.
Terug gekomen in de jungle vertelde Mowgli zijn avonturen aan Bagheera, die hem aanraadde het ankus weg te werpen. Wat Mowgli dan ook deed. Nadat Mowgli geslapen had, had Bagheera reeds sporen van mensen ontdekt rond de plaats waar het ankus lag. Het waren sporen van Kleinvoet, de Gonda-jager en Grootvoet, maar ook voetsporen van mannen met schoenen aan. Samen volgden ze de sporen en vonden het ankus terug, nadat het zesmaal in één nacht de dood had gebracht. Mowgli pakte het ankus en bracht hem weer terug naar de witte cobra. ‘Ha, ha! Dus het komt weer terug. Ik heb je gezegd dat het ding de dood was. Hoe komt het, dat je nog leeft?’, bromde de oude cobra. ‘Door de stier die mij vrij kocht. Laat het hier nooit meer uitkomen’, antwoordde Mowgli.

De rode honden (moet nog worden uitgewerkt)
De hele Sionie Horde was aan het verouderen. Vader en moeder wolf stierven, Baloe werd oud en stijf en Bagheera een beetje trager. Zelfs Akela was aan het vergrijzen, zijn ribben staken door zijn vel, zodat Mowgli voor hem jaagde. Op weg naar de raadsrots, om Akela een stuk vlees te brengen, werd Mowgli plotseling opgeschrikt door een onbekend vreesaanjagend gehuil, de phieal, komende van de wilde honden, de vijanden van de wolvenhorde.
Van de moordlustige vechters was niet veel goeds te zeggen, medelijden kenden zij voor geen enkele tegenstander in geen enkel gevecht. Het bericht van hun komst, gebracht door een gewonde wolf, Wontolla, wiens vrouw en kinderen in de stevige kaken van de wilde honden een afschuwelijke dood waren gestorven, bracht dan ook grote paniek in de horde. Maar Mowgli, werkend op hun eergevoel, wist de verlammende angst te bezweren. Hij weigerde hun smeekbede op te volgen en weg te gaan: de wolven hadden geen kans en Mowgli al helemaal niet, zeiden ze.
Maar Mowgli lachte hen uit en verzocht hen dringend nu niet op de vlucht te slaan en alle prooi gewillig over te laten aan de wilde honden. Mowgli was zo verstandig raad te gaan vragen bij de slimme Kaa, de slang, die van alles in de jungle heeft meegemaakt. Kaa mocht het mensenjong wel en hij beraamde een plan dat de dood van de hondenbende moest worden.
Hij nam Mowgli mee naar de Plaats van de dood, een nauwe spleet, gevormd door een inzinking in een groep marmerrotsen. Liggend in het veilige water vertelde Kaa dat hier duizenden zwarte bijen woonden, die zich vraatzuchtig op elk levend wezen stortten om hen een snelle dood te laten sterven. Hier zou Mowgli de honden, die onbekend waren met de woonplaats van de bijen, heen moeten lokken. Dat was een werkje waar Mowgli plezier aan beleefde. Veilig gezeten in een boom bracht hij de sterke troep honden tot blinde razernij, door ze bespottelijk te maken en door zelfs de leider bij diens wanhopige sprong naar boven bij het nekvel te pakken en hem voor het front van de troep te vernederen door diens staart af te snijden. Daarna, op een veilige hoogte klimmend van boom tot boom, lokte hij de troep honden in het bijenveld. Voordat zij het wisten, zaten ze er midden in en bij honderdduizenden stortten de bijen zich zoemend en stekend op deze onverwachte harige prooi.

Voor de honden het merkten, was hun aantal gehalveerd. De anderen sprongen blindelings in het tegen de bijen veilige water, waar Mowgli hen met zijn mes opwachtte. Ook hier vond weer een aantal de dood. De rest moest tegen het woelige water vechten en werd verderop opgewacht door de horde wolven. Ondanks de verliezen van de honden en hun grote vermoeidheid, wisten zij nog goed partij te geven, maar werden voor het eerst in de geschiedenis toch verslagen.
Akela, de oude wolf, moest onder een stapel van negen dode honden uitgegraven worden. Hij was zwaar gewond en moest sterven. Maar hij stierf in vrede, nu hij de wilde honden verslagen had en Mowgli met de wolven gered wist.

De lenteloop
Dit verhaal speelt zich af twee jaar na het verhaal over "De rode honden". Mowgli is dan ongeveer zeventien jaar oud.

Twee jaren na het grote gevecht met de wilde honden en de dood van Akela was Mowgli ongeveer zeventien jaar oud. Door het leven in de jungle, goed voedsel en een fris bad zodra hij zich warm of stoffig voelde, was hij krachtiger en groter dan een normale jongen van zijn leeftijd en zag hij er ouder uit. Soms hing hij een half uur lang met één hand aan een hoge tak om de wegen in de boomtoppen te bekijken. Een andere keer hield hij een dravende jonge hertenbok tegen door hem aan zijn horens op zijn zij te gooien. Het Junglevolk vreesde hem niet meer alleen vanwege zijn verstand, maar ook om zijn kracht. Als hij rustig wandelde, maakte het fluisteren over zijn komst de bospaden al vrij. Toch was de blik in zijn ogen altijd vriendelijk. Zelfs als hij vocht, schoten zijn ogen nooit vuur, zoals die van Bagheera. Zij keken alleen met meer belangstelling en opwinding. Dit was één van de dingen die zelfs Bagheera niet begreep. Toen hij het er eens met Mowgli over had, keek die hem aan. En zoals gewoonlijk liet de panter dan zijn kop zakken. Bagheera kende zijn meester.

Zij lagen languit in het droge gras, hoog op de helling van een heuvel, met uitzicht op de Waingoenga rivier en de ochtendnevel in groen-witte sluiers onder hen. De mist verdween langzaam in een zee van rood-gouden licht door de opkomende zon. Het was het einde van het koude seizoen. De bladeren en de bomen leken dor en droog en ritselden droog in de wind. Bagheera snoof diep de frisse ochtendlucht op, draaide zich op zijn rug en sloeg met zijn voorpoten naar een ratelend blaadje boven hem. ‘Het jaar keert,’ zei hij. ‘De tijd van het Nieuwe Geluid nadert. Wat is het nu goed!’ Het was alsof hij de lente rook. ‘Bagheera,’ vroeg Mowgli, ‘Is het wel gepast voor een zwarte panter, om zo op je rug te liggen en als een boomkat met je poten in de lucht te slaan?’ Bagheera leek aan andere dingen te denken. ‘Een zwarte panter die zo geeuwt, hoest, huilt en rolt. Denk eraan dat wij Meesters der Jungle zijn, jij en ik.’ Bagheera kroop overeind en schudde zijn zwarte, door het ruien van de winterpels gerafelde, flanken. ‘Wij zijn inderdaad de Meesters der Jungle. Wie is zo sterk als Mowgli? Wie is zo wijs?’ Een vreemde klank in zijn stem deed Mowgli omkijken. Hij dacht dat de zwarte panter hem misschien voor de gek hield.

Mowgli keek met zijn ellebogen op zijn knieën over het dal naar het daglicht. In het woud beneden oefende een vogel met krassende stem de eerste noten van zijn lentelied. ‘Ik zei al, de tijd van het Nieuwe Geluid is nabij. Het is Ferao, de rode boomspecht,’ zei Bagheera, rillend over zijn hele lichaam. ‘Hij is zijn lied nog niet vergeten. Nu moet ik mijn zang ook weer zien te herinneren.’ Hij begon zachtjes in zichzelf te grommen, te spinnen en te neuriën. ‘Er komt toch geen prooi aan,’ zei Mowgli lui. ‘Zeg broertje, zijn allebei je oren verstopt? Dit is geen jachtroep, maar mijn lied, dat ik oefen voor het moment dat ik het nodig heb.’ ‘Dat was ik vergeten,’ zei Mowgli onrustig, ‘Maar ik merk het wel wanneer het Nieuwe Geluid er weer is. Dan lopen jij en de anderen weg en laten mij weer alleen achter, net zoals toen Hathi suikerriet voor mij zou halen. Hij rende die nacht trompetterend, brullend en dansend in het maanlicht door de dalen. En kwam niet toen ik, Meester der Jungle, hem riep.’ ‘Het was in de tijd van het Nieuwe Geluid,’ zei de panter nederig, ‘Luister naar Ferao en wees blij!’ Mowgli's boosheid was verdwenen en hij ging liggen. Bagheera vormde met een zucht een kussen voor zijn hoofd en luisterde naar Ferao, die zijn zang voor de lente oefende - voor het Nieuwe Geluid, zoals het Junglevolk zegt.

In de Indiase Jungle gaan de seizoenen bijna ongemerkt in elkaar over. Er lijken alleen een nat en een droog seizoen te zijn. Maar wie de Jungle goed kent weet dat er toch vier zijn, die normaal op elkaar aansluiten. De lente is het wonderbaarlijkste seizoen en geen lente ter wereld is zo bijzonder als de lente in de Jungle. Na de dag waarop alle dingen, zelfs de geuren, moe zijn, komt er een nieuwe dag waarop niets veranderd lijkt, maar alles toch weer fris en aangenaam ruikt. De winterharen van het Junglevolk vallen dan uit en het door een malse regen wakker geschudde plantenleven groeit met een zacht brommend geluid dat dag en nacht bijna hoorbaar is. Dat trillende gezoem, dat nergens mee vergelijkbaar is, is de stem van de lente.

Mowgli had altijd genoten van de wisseling van de seizoenen. In de lente was hij altijd uitgelaten, net als iedereen van zijn volk. Soms draafde hij 's nachts tientallen kilometers ver en keerde hij hijgend en lachtend, versierd met bloemen, terug. Mowgli's broeders volgden hem niet, maar zij trokken weg om met de andere wolven te zingen. De stemmen van het Junglevolk zijn in die tijd heel anders dan op andere momenten in het jaar. Daarom wordt de lente ook de tijd van het Nieuwe Geluid genoemd.

Maar die lente voelde Mowgli zich heel anders. Hij had verlangd naar de dag van het Nieuwe Geluid, maar toen Mor de pauw het eindelijk luid door de nevelige wouden uitschreeuwde, overviel hem een vreemd, ongelukkig gevoel. Dat begon in zijn tenen en steeg op naar zijn hoofd. Hij bekeek zich eens goed, om te zien of hij niet per ongeluk in een doorn was getrapt. Hij had toch ook niet iets verkeerd gegeten of gedronken? Overal om hem heen klonk de roep van het Nieuwe Geluid: Mor, Chil, de vogels, Bagheera's hese schreeuw op de rotsen bij de Waingoenga, het gekrijs van de Bandar-log. Het hele Junglevolk leek in luid gejuich uit te barsten. Maar uit Mowgli's longen ontsnapten alleen maar kleine zuchtjes lucht in een zwaar gevoel van onbehagen.

‘Het wordt tijd dat ik eens ga rennen,’ zei Mowgli in zichzelf. ‘Vannacht ga ik op pad. Ik maak mijn lenteloop naar de moerassen in het noorden en terug.’ Hij riep zijn broeders, maar zij antwoordden niet. Zij zongen buiten gehoorsafstand hun lentezangen. Mowgli beefde van woede en stapte nors maar trots de heuvel af, al wist hij diep van binnen dat hij er geen reden voor had. Twee vechtende jonge wolven rolden hem voorbij in hun lentestrijd. Mowgli wilde tussenbeide komen, iets wat hij anders nooit zou doen. Ze duwden hem opzij. Hij stond alweer voor hij goed en wel gevallen was en had zijn mes klaar om ze te doden, alleen maar omdat hij wenste dat ze rustig zouden zijn. Toen zakte zijn mes en leek het of alle kracht uit hem vloeide, alsof hij vergif had gegeten. Mowgli dacht dat hij ging sterven, want sinds hij de Rode Bloem gebruikte en sinds hij Shere Kahn versloeg, kon geen wolf hem opzij werpen. En dit waren nog maar jonge wolven! Een enorm gevoel van ellende overviel Mowgli.

Die avond ging hij vroeg op jacht en at maar weinig, om in goede conditie te zijn voor zijn lenteloop. Ondanks zijn ellende voelde Mowgli de kracht van het Nieuwe Geluid, waardoor hij van puur genot luid begon te zingen toen hij zijn tocht begon. Hij leek te vliegen in het licht van de volle maan, op de lange, glooiende helling die hem naar de moerassen van het noorden zou leiden, dwars door het hart van de Jungle. Als hij moe was van het lopen, sloeg hij zijn handen om de slingerplanten en volgde hij een boomweg. En als hij daar weer genoeg van had, zwaaide hij door het gebladerte naar beneden. Zonder er bij na te denken en zonder te vertragen. Onderweg hoorde hij Jacala, de krokodil, loeien als een stier in een voorde en stoorde hij een kluwen van het Gifvolk. Maar voor ze konden toeslaan, was hij alweer weg, diep in de Jungle.

Zo liep hij, soms schreeuwend, dan weer zingend, en was hij die nacht het gelukkigste schepsel in de Jungle. Tot de geur van de bloemen hem waarschuwde, dat hij de moerassen naderde. Die lagen ver buiten zijn verste jachtgebied. Was hij door mensen opgevoed, dan zou hij na drie stappen zijn weggezonken in de slappe grond, maar Mowgli's voeten leken ogen te hebben en gingen van de ene graspol naar de andere. Middenin het moeras ging hij zitten zingen op een bemoste boomstronk tussen het riet. Het ellendige gevoel leek eerst in zijn eigen Jungle achtergebleven te zijn. Maar plotseling viel het weer over hem heen, tienmaal erger dan daarvoor. Op dat moment ging ook de maan nog onder. Mowgli werd bang, omdat het gevoel hem had gevolgd. Volgens hem was dat een duidelijk bewijs dat hij vergif had gegeten. Mowgli barstte bijna in tranen uit, maar in al zijn ellende voelde hij zich toch gelukkig met zijn ellende. Hij dacht weer aan de laatste woorden van Akela en riep: ‘In ieder geval, ik ben van de Jungle!’

Mowgli riep zijn woorden zo hard dat hij de wilde buffels ermee verschrikte. Mowgli wist hoe opvliegend Mysa, de buffelstier, kon zijn. Hij bespotte hem waar zijn buffelkoe bij was, sloop door het riet en prikte hem plagend met de punt van zijn mes, roepend dat de haarloze wolf van de Sionie Horde hem had beetgehad. Mysa brieste hem woedend toe dat iedereen wel wist dat hij een mensenjong was. Een jager van de Jungle zou hem niet zo hebben vernederd! Mowgli riep of Mysa wist welke mensenhorde hier bij de moerassen leefde. En de buffelstier wees hem, nog steeds brullend van woede, naar het noorden.

Mowgli liep over de glibberige grond aan de rand van het moeras en rende voort, nog lachend over de woede van de stier. Hij realiseerde zich dat zijn kracht nog niet helemaal verdwenen was. Het moeras eindigde in een grote vlakte, waar hij in de verte een blinkende ster zag. Mowgli tuurde er door zijn handen naar. Het was de Rode Bloem, waar hij vroeger naast lag, vóór hij bij de Sionie Horde kwam! Mowgli had zich lang niet met de mensen beziggehouden. Maar deze nacht trok de twinkeling van de Rode Bloem hem aan alsof het een nieuw soort prooi was. En hij besloot te gaan kijken of de mensenhorde veranderd was.

Mowgli vergat dat hij niet meer in zijn eigen Jungle was en rende onbezorgd door het natte, bedauwde gras. Tot hij bij de hut kwam waar het licht brandde. Enkele honden begonnen te blaffen, omdat hij bij de rand van het dorp was gekomen. Nadat hij een diep wolvengegrom had laten horen, zwegen de honden en ging hij zitten. Hij dacht opeens aan het moment dat hij door een steen werd geraakt, toen hij door de andere mensenhorde werd verstoten. De deur van de hut ging open. Er kwam een vrouw naar buiten, die de duisternis in tuurde. In de hut schreeuwde een kindje, dat door de vrouw werd getroost.

Mowgli begon plotseling te rillen. Hij kende de stem heel goed. Om zich te overtuigen riep hij zacht, verwonderd dat hij zich de mensentaal zo gemakkelijk herinnerde: ‘Messoea! O, Messoea!’ ‘Wie roept daar?’, vroeg de vrouw met trillende stem. ‘Ben je me vergeten?’, vroeg Mowgli met een droge keel. ‘Als jij het werkelijk bent, welke naam heb ik je dan gegeven?’ ‘Nathoe! O Nathoe!’, zei Mowgli, want zoals je weet was dat de naam die Messoea hem gaf, toen hij voor de eerste maal weer onder de mensen kwam. ‘Kom hier mijn jongen, mijn zoon!’, riep zij uit. Mowgli stapte in het licht en keek naar Messoea, de vrouw die zo goed voor hem was geweest en die hij vele jaren geleden had gered. Zij was ouder geworden en haar haar was grijs, maar haar ogen en haar stem waren niet veranderd. Zij verwachtte Mowgli terug te zien zoals hij haar verlaten had, maar hij was sterker, groter en mooier dan toen. Met zijn lange zwarte golvende haar en zijn mes bengelend aan een koord om zijn hals leek hij voor haar een jonge god uit het woud.

Messoea vroeg of hij iets wilde eten of drinken. ‘Maar ben je wel degene die ik Nathoe noemde, of ben je toch een god?’ Mowgli antwoordde dat hij Nathoe was en dat hij heel ver van zijn eigen plek was. Messoea vertelde wat er met haar gebeurd was, nadat Mowgli haar had gered. Zij was met haar man naar de Engelsen in Khanhiwara gegaan, om bescherming te zoeken tegen de dorpelingen. Zij konden het dorp niet terugvinden. Na lang werken konden ze op deze plek een lapje grond kopen en een hut bouwen. Haar man was een jaar geleden gestorven. Mowgli vroeg naar het kindje. Snikkend vertelde Messoea hem dat, als hij Nathoe was, het kindje zijn jongere broertje was. Mowgli huiverde, voelde zich duizelig en ziek en werd bestormd door allerlei vreemde gevoelens. Met lange teugen dronk hij warme melk, terwijl Messoea hem af en toe op de schouders klopte, nog steeds niet zeker of hij haar zoon Nathoe was of een wonderlijk wezen uit de Jungle. Daarna viel hij vast in slaap en sliep een nacht en de hele volgende dag, zoals men in de Jungle gewoon was.

Toen Mowgli wakker werd gaf Messoea hem avondeten, een paar koeken en wat rijst. De geur van de dauw boven de moerassen had hem hongerig gemaakt en hij wilde zijn lenteloop voortzetten. Maar het kindje wilde dat hij bleef en nestelde zich in zijn armen. Messoua kamde zijn haren. Plotseling hoorden zij een gerucht en verscheen er een angstige blik op Messoea's gezicht. Het was Grijsbroer, die buiten voor de deur van spijt en onrust zachtjes huilde. Mowgli zei hem in Jungletaal buiten te wachten, want hij was niet gekomen toen Mowgli hem riep. Messoea dacht nu echt dat Mowgli een bosgod was. Mowgli zei dat hij ging vertrekken, maar Messoea's moedergevoel overwon haar angst en zei fluisterde: ‘Kom terug, zoon of geen zoon, kom terug, want ik en mijn kindje houden van je.’ Mowgli antwoordde dat hij zeker terug zou komen.

Mowgli vertelde Grijsbroer dat hij kwaad was op hem en zijn drie broeders, omdat ze niet waren gekomen toen hij ze riep. Grijsbroer zei dat hij hem gevolgd was na het zingen van zijn lenteliederen. Plotseling kwam een meisje in witte sarong een pad afgelopen. Grijsbroer sprong weg. Mowgli keek het meisje na tot zij uit het zicht was verdwenen. Zuchtend zei hij tegen Grijsbroer: ‘Maar toch weet ik nog niet waarom jullie niet kwamen toen ik riep.’ Grijsbroer zei hem dat ze hem altijd volgden, behalve in de tijd van het Nieuwe Geluid. ‘En zou je me ook volgen naar de mensenhorde, voor altijd?’ vroeg Mowgli. Grijsbroer zweeg een tijdje en zei toen brommend dat Bagheera de waarheid had gesproken. Op den duur keert de mens terug naar de mensen. Ook Raksha, Akela en Kaa hebben dat gezegd. Mowgli vroeg wat Grijsbroer zelf dacht. Zo spraken zij terwijl ze renden. Grijsbroer dacht nog een tijdje na en sprak toen dat hij en zijn broeders Mowgli altijd zouden volgen. ‘Maar’, vroeg hij aan Mowgli, ‘wat zul jij aan de Jungle zeggen?’ Mowgli vertelde hem vooruit te gaan en iedereen te verzamelen bij de Raadsrots, waar hij zou vertellen wat er in hem omging.

Op zijn weg naar de Raadsrots riep Grijsbroer overal dat de Meester van de Jungle terug zou keren naar de mensen. Maar het Junglevolk was alleen maar bezig met de tijd van het Nieuwe Geluid. Bij de Raadsrots vond Mowgli daarom alleen de vier en de oude Baloe, en Kaa, die gekronkeld rond de lege zetel van Akela lag. Mowgli klaagde dat zijn kracht hem had verlaten en dat hij zich onrustig en ellendig voelde. Baloe zei hem dat Akela het al gezegd had; Mowgli zelf zou Mowgli dwingen terug te keren naar de mensenhorde. Zo is de Wet. Bagheera wist het ook, waar bleef hij toch vannacht? Kaa bevestigde dat hij het ook al heel lang wist; de mens keert terug naar de mensen, al stoot de Jungle hem niet uit. De vier keken verward nu eens elkaar, dan weer Mowgli aan. Mowgli stamelde: ‘Dus de Jungle stoot mij niet uit?’ Baloe zij hem zijn eigen spoor te volgen en zijn eigen nest te maken, met zijn eigen horde. Maar als hij, Meester van de Jungle, ooit de hulp van de Jungle nodig had, moest hij zich herinneren dat heel de Jungle zou komen op zijn roep. En Kaa zei hem dat ook de Middenjungle van hem zou blijven, en dat is geen klein volk. Mowgli was nog steeds vertwijfeld. Hij wilde niet gaan, maar zijn voeten leken hem voort te trekken. Baloe zei hem dat velen die Mowgli kende al gestorven waren en dat er alleen oude beenderen overgebleven waren die hem nog kenden. Het was niet meer een mensenjong dat zijn horde toestemming vraagt te gaan, maar de Meester van de Jungle die een ander spoor inslaat. Wie zou hem ter verantwoording roepen?

Mowgli begon over Bagheera, toen hij plotseling werd onderbroken door een hevig gebrul en gekraak in het kreupelhout. Opeens stond Bagheera voor hem, sterk en schrikwekkend als altijd. ‘Daarom!’ zei hij, terwijl hij een van bloed druipende voorpoot uitstak, ‘daarom kwam ik niet! Het was een lange jacht, maar daar ligt hij, een stier die je vrijkoopt, Kleine Broeder! Alle schulden zijn betaald. En verder is mijn woord gelijk aan dat van Baloe. Vergeet niet dat Bagheera van je hield!’ En weg sprong hij, ondertussen roepend: ‘Goede jacht op het nieuwe spoor, Meester der Jungle! Vergeet niet dat Bagheera veel van je hield!’

‘Je hebt het gehoord, er is niets meer te zeggen,’ zei Baloe. ‘Ga nu, maar kom eerst nog eens bij mij, o wijze kleine kikvors!’ Mowgli snikte het uit, met zijn hoofd in de zijde van de beer en zijn armen om zijn nek. ‘Het valt soms hard je huid af te werpen,’ zei Kaa. En Grijsbroer vroeg waar ze vandaag zouden gaan slapen, want vanaf nu volgden ze nieuwe sporen!

En dit was het laatste van de Mowgliverhalen.

Wat wil je nu doen?
Ga terug naar de pagina over Het Jungleboek
Ga terug naar de welpenpagina
Ga naar de pagina over de junglegebruiken